Grisar Bartholomé - uit: Dokter Bartholomé Grisar (2006)

Description

Twee geneesheren traden in Hasselt op de voorgrond tijdens de negentiende eeuw. Het betreft dokter Louis Willems en dokter Bartholomé Grisar.

De grote verdienste van dokter Willems was de vaccinatie tegen de runderpest waarmee hij startte in 1850 in de ossenstal van zijn vader. Hij was in zijn stad een onbegrepen voorloper in de schaduw van Pasteur. Internationale erkenning volgde vele jaren later. Intussen zijn er publicaties over Willems verschenen. In Hasselt kreeg hij zijn standbeeld en werden een straat en een wetenschappelijk instituut naar hem genoemd.

Anders verliep het met dokter Grisar, een integer geneesheer die als eerste in ons land durfde voorop te stellen dat de kraambedkoorts veroorzaakt werd door onhygiënische manipulaties bij de bevalling. Zijn publicatie van 1864 vond weinig respons in de medische wereld gelijk het ook verliep met dokter Ignaz Semmelweis uit Wenen. Toch verdient Bartholomé Grisar een plaats tussen de belangrijke Hasselaren van weleer.

Bartholomé Grisar werd in Sint-Truiden gedoopt op 17 maart 1800 als zoon van Bernard en van Elisabeth Swaenen. De familie Grisar was afkomstig van Jeuk waar zijn grootvader Jean-François als geneesheer gevestigd was na studies aan de universiteit van Leuven. Drie zonen volgden zijn voorbeeld. Jean-François II studeerde in 1771 af als licenciaat in de geneeskunde aan de universiteit van Nancy en werd er twintig jaren later gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde. Hij was in Tongeren gevestigd, sloot zich aan bij de patriotten in 1789 en moest daarom uitwijken in 1793. De tweede zoon Jean-Georges (1751-1803) werd chirurgijn aan het 'Collège de Chirurgie' te Parijs en vestigde zich in Hasselt. Als patriot zou hij zeven soldaten hebben gedood tijdens de Boerenkrijg. Hij werd opgevolgd door zijn broer Bernard (1754-1830) die zonder politieke ambities dertig jaren chirurgijn was in Hasselt. Hij stichtte een groot gezin. Naast Bartholomé waren er Marie-Josèphe, Mevrouw Finoulst, en drie ongehuwde dochters, Jean-Victor, geneesheer te Beringen, Hubert-Antoine, apotheker te Hasselt, Fabian-Conrad, pastoor te Halen en ten slotte Guillaume en Pierre-Bernard, ongehuwde leerlooiers.

Op 25 april 1827 werd Bartholomé als heelkundige en gynaecoloog erkend door de Provinciale Medische Commissie van Limburg, die in Maastricht gevestigd was. Vermoedelijk kreeg hij zijn opleiding als heelmeester bij zijn vader met wie hij nadien samenwerkte tot aan diens overlijden. Door de Franse revolutie was de medische opleiding in de eerste jaren van de negentiende eeuw een grote warboel geworden. Mogelijk kreeg hij niet de academische opleiding die zijn vader, grootvader en ooms genoten in Leuven en Parijs ten tijde van het Ancien Régime. 

In 1831 volge hij zijn vader op bij de burgerlijke armenhuizen en aan het liefdadigheidsbureau van Hasselt. In de registers van Hasselt staat hij vermeld als heel- en vroedmeester en als 'accoucheur'. Datzelfde jaar 1831 deed hij in zijn stad reeds operatieve ingrepen waarbij hij gebruik maakte van een 'primitieve' narcose. Zoals gebruikelijk in die tijd gebeurden die ingrepen in de ziekenzaal met buishoed en opgestroopte mouwen.

Op 14 augustus 1832 behaalde hij aan de nog jonge universiteit van Luik het diploma van doctor in de geneeskunde. In de Hollandse tijd gebeurde het vaak dat heelmeesters en gezonheidsofficieren verder studeerden tot doctor in de geneeskunde in de recent heropende universiteit van Leuven of aan de pas door Willem I opgerichte universiteit van Luik. Ook zijn broer Jean-Victor was reeds enkele jaren chirurgijn in Beringen voor hij zijn diploma van geneesheer behaalde. 

In die tijd behoorde bij de functie van de geneesheren de gratis pokkenvaccinatie bij de armen van de stad. Om de artsen te stimuleren werd bij K.B. van 16/8/1844 jaarlijks een bronzen penning uitgereikt aan de meest verdienstelijke onder hen. Negen jaren werd aan Grisar deze penning van overheidswege toegekend, o.a. in 1845 samen met collega Lambert Bamps, in 1859 met Goossens, in 1862 en 1864 met collega Lenaerts.

In 1847 verrichtte Grisar onder narcose een operatie der buiksnijding (keizersnede) waarbij hij gebruik maakte van de etherkracht, 'eenen drank waerdoor de zieke in  eenen gevoellozen slaap' gewikkeld werd. Een primeur voor Hasselt en een van de grote verdiensten van Dokter Grisar.

In 1848 was Grisar aan de stad verbonden als doctor in de genees-, heel- en verloskunde in samenwerking met zijn collega's Antoine en Lambert Bamps, N.G. Vandersmissen, Edouard en Louis Cartuyvels. Twee jaar eerder waren reeds vier verloskundigen, twee heelkundigen en twee stadschirurgen in dienst, allen met een universitair diploma. Er was intussen een duidelijke stroomversnelling gekomen in de opleiding van medici en de organisatie van de stedelijke geneeskunde na de chaos van de Franse tijd en de trage heropbouw in de Hollandse tijd. 

Tijdens de choleraepidemie in 1849 was hij samen met zijn collega Antoine Bamps actief in de verzorging van de Hasseltse bevolking. Als sanitaire maatregelen vaardigden beide heren uit dat elk getroffen gezin twee schoven stro kreeg, kalken chloruur van de desinfectie van hun huis en recht verkreeg op de bedeling van vette soep. Het gasthuis moet uitbreiding zoeken naar andere locaties. In 1833 werd de oude leprozerij bij de kapucijnen in gebruik genomen en in 1849 de pas gebouwde pastorij van deken Spaas op de Zuivelmarkt. Beide geneesheren werden samen gehuldigd voor hun inzet. Toen het stadsbestuur hun een uitgesteld honorarium wou aanbieden, weigerden beide heren deze vergoeding. Wel werden ze beloond met een zilveren penning als blijk van erkentelijkheid.

Grisar was jarenlang lesgever aan de provinciale vroedvrouwenschool op de Guffenslaan. Zijn minzame huiding tegenover de nerveuze examinandi bleef nog jarenlang in de volksmond bekend in de uitdrukking: "t'sal wel keume zee den aen Grisar". In 1854 werd hij door het lot aangewezen als jurylid van het Assisenhof van Limburg. Ondanks zijn beroepsactiviteiten vond hij het zijn plicht in assisenzaken te zetelen in 1854, 1858 en 1862.

In 1864 verscheen zijn belangrijk publicatie over de kraambedkoorts, zijn levenswerk. Dat artikel was baanbrekend want kort tijd nadien werd hem zelfs de 'ontdekking der kraambedkoorts' toegeschreven.

In 1856 volgde hij collega Bamps op als hoofdgeneesheer van Hasselt met Louis Willems als associé. Grisar kreeg de armen van de linkerkant van de stad toegewezen, het westelijk deel van de as Nieuwstraat-Demerstraat zoals al eeuwenlang contractueel was vastgelegd bij de taakverdeling tussen de armendokters. In de vijftiger jaren was het aantal Grauwzusters van negen naar zestien gestegen en verbleven er gemiddeld vierendertig patiënten in het ziekenhuis. In het apothekersregister van 'het Sweert' op de Grote Markt komen zijn ordonnanties geregeld voor. In 1877 stond hij niet meer vermeld als armendokter. Tot 1880 komt zijn naam voor op de lijst van geneesheren van de stad. Blijkbaar bleef Grisar tot op hoge leeftijd actief.

Grisar was ridder in de Leopoldsorde en bekwam het burgerlijk kruis eerste klasse. Hij was lid van het Sint-Vincentiusgenootschap. Meer dan vijftig jaren was hij actief lid van de rederijkerskamer 'de Roode Roos'. Zijn vader was hem daarin voorgegaan en zijn zusters traden reeds in 1816 op in toneelstukken die door de vereniging werden opgevoerd. Zijn muziekinstrumenten, als lid van de Société Royale de Musique et de Réthorique, bleven bewaard bij de archieven van zijn familie. Naar aanleiding van zijn vijftigjarig lidmaatschap werd hij in 1870 plechtig gevierd samen met acht collega-jubilarissen. Bij die gelegenheid werd een groepsportret van de negen jubilarissen gemaakt door de vermaarde fotograaf Blanckart. Toen Grisar in december 1874 tot ridder in de Leopoldsorde benoemd werd hield de Société Royale de Musique et de Réthorique een serenade voor de woning van hun promotor. De zilveren jubileumpenning wordt in de familie bewaard.

Tijdens zijn lange loopbaan woonde dokter Grisar in het huis achter 'Sint Huybrecht', zijn ouderlijke woning in de Kortstraat aan de westkant van de huidige kathedraal. Na het overlijden van zijn vader woonde hij er met zijn moeder en zusters die een specerijwinkel hielden.

Op 1 augustus 1885 overleed hij ongehuwd op de gezegende leeftijd van 85 jaar. Hij werd bijgezet in de familiegrafkelder op het oude kerkhof aan de Kempische steenweg, dichtbij de kerkhofkapel. De lijkstoet werd voorafgegaan door zijn neven Hippolyte, Arthur, Emile, Adrien en Constant, zonen van zijn broer Hubert, apotheker in 'de Olifant' in de Demerstraat. De lijkrede werd uitgesproken door Dokter Louis Willems: "... il servait l'ouvrier et le pauvre avec un désintéressement et un dévouement admirables. Il a découvert la nature contagieuse de la fièvre puerpérale. Il a prouvé que cette affection se transmet par les mains et par les vêtements d'une femme malade à une femme saine. Son mémoire de 1864 a été accueilli à l'Académie de Médicine de Belgique et récemment rappelé en des termes écologieux à l'Académie de Paris...".

Recent toegevoegd

Het perk op het Oud Kerkhof , aangelegd tussen 1929 en 1931, kwam er ter ere van de gesneuvelden van de...
In zijn familiegeschiedenis over de familie Cools, uitgegeven in samenwerking met lic. Roger Janssen in...
Horlogemaker Josephus Ludovicus Stoop werd geboren in Wijnkel (O-Vl.) in 1841. In 1867 trouwde hij in...
Auteur: Henri Polus De brouwerij Hoogbrug was gelegen aan de brug over de Demer aan de Kempische...
Albert Stanislas Laskiewicz werd geboren op 22 april 1857 in Brodnica (Polen). Op 2 april 1892 trad hij...
August Buekers, die in 1895 het levenslicht zag in Schulen, was vele jaren onderwijzer en nadien...
De familie van of de Wideu voerde als wapen «in vair een verhoogde gouden dwarsbalk, beladen met een...
Hij zou stadsuurwerkmaker van Hasselt geweest zijn (hij herstelde er de stadsuurwerken in 1740). Hij...
Gepensioneerd leraar Technische school te Genk maar herstelt klokken en uurwerken als hobbyist. Hij...