Witte nonnenklooster - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 219-220

Deze kazerne werd aldus genoemd, omdat zij de plaats innam van het westelijk deel van het Wittenonnenklooster. De oostgrens van dit domein lag bij de Nieuwe Demer. Op deze 'limiet' lag vroeger een houten brug over de rivier, die verdween toen de weg met Genkerkeien werd bestraat en de brug door een stenen overwelving werd vervangen. Vanaf die plaats tot dicht bij de Martelarenlaan (vroeger: Noordlaan) lag de Demer open. De rivier was in eerdere dagen op het Begijnhof (tot aan de Paardsdemerstraat) evenmin overwelfd. Voorbij de Paardsdemerstraat lag de Demer tot aan de Demerstraat (tot aan de leerlooierij Speelmans in De Gulden Spoor) opnieuw open.

De straat dankt haar naam aan de aldaar gevestigde contemplatieve kloosterzusters. Anderhalve eeuw lang werd deze plaats eenvoudig aen die susters geheten. In een nog verder verleden werd het hele terrein vanaf de stadswallen tot aan de Bonnefantenstraat en de Kempische Poort die Wolfkens genoemd. Op de plaats waar de Demer thans door de Martelarenlaan wordt overwelfd, stonden in de 15de eeuw een Schutporte (ter bescherming van de sluis) en het Wolfhuys (Dwolfhuys) met een toren. Het nouwe wolfhuys lag met een kleyn wolfhuysken aen het grauw- of celzusterclooster, in de richting van de Kempische Poort. Het oude Wolfhuys en de Schutporte stonden ten dienste van de wittenonnen.

In zijn Notice historique sur Hasselt zegt kanunnik Jozef Daris dat in 1426 door Ida Putlincx een klooster werd gesticht dat Sint-Katharinadal werd genoemd. In 1428 gaf de prins-bisschop van Luik, Jan van Heinsberg, door middel van duidelijk omschreven verordeningen, zijn goedkeuring aan de instelling. Daris wijkt in zijn stelling evenwel af van de bewaarde archiefstukken, wanneer hij zegt dat de wittenonnen rond 1663 en in 1784 de Zusters van de Reguliere Derde Orde opvolgden, daarmee aangevend dat het klooster door twee verschillende congregaties bewoond zou zijn geweest. Het staat vast dat het Sint-Katharinadal tot bij de Franse Revolutie door geen andere kloosterlingen dan door de franciscanessen-penitenten (ook witte nonnen of witte dames) werd bewoond.

Bij de erkenning van de instelling van Ida Putlincx (1) stelde de prins-bisschop in hetzelfde schrijven het nieuwe klooster onder het bestuur en de bescherming van de prior van de kruisheren te Luik (2). Die schreef de zusters het witte kleed van zijn orde voor. Dat habijt bezorgde de zusters in de volksmond de naam 'wittenonnen'. De gichtregisters en andere registers uit het stadsarchief van de 15de, de 16de en de 17de eeuw verwijzen doorgaans met de algemene benaming susteren clooster naar deze instelling. De oversten ondertekenden trouwens alle akten met de eensluidende formule N. … van Susteren clooster Sint- Catharienendal (3). De vergunningsbrief van Jan van Heinsberg berust in de bibliotheek van de Luikse universiteit.

In de periode dat de kloosterlingen er zich vestigden en ook anderhalve eeuw later nog lag tussen de Nieuwe Demer en de Blinde Muren een weiland of 'dries'. Die grond werd later Susteren dries genoemd en niet 'Wittenonnendries', zoals wel eens ten onrechte wordt beweerd. Toen in de tweede helft van de 16de eeuw het Begijnhof voortdurend werd uitgebreid, werd deze ruimte grotendeels ingenomen door de gebouwen waarin later de Broeders van Liefde hun klaslokalen zouden hebben. Op de noordelijke hoek van de 'dries' kwamen later enkele werkmanswoningen te staan. Om vanuit hun klooster naar de dries, die als bleekweide dienst deed, te gaan, beschikten de uytgaende susters – de contemplatieven mochten immers niet buiten de kloostermuur komen – over een onderaardse gang die toegang gaf tot de dries. Het einde van die gang dient gesitueerd te worden in de buurt van het hoekhuis van de Bonnefantenstraat en de Wittenonnenstraat.

In 1441 kregen de zusters binnen de omheining een kerkhof, zowel voor eigen gebruik als voor het overleden dienstpersoneel, op voorwaarde dat zij jaarlijks acht vaten tarwe aan de pastoor van de parochie zouden betalen. Op dit kerkhof vonden ook de zusters van het Sint-Barbaradal hun laatste rustplaats. Reeds vanaf 1461 begonnen de zusters uit te zwermen. In dat jaar stichtten ze het klooster van Bergen-op-Zoom, in 1469 dat van Lier en drie jaar later dat van Bilzen. De ketterleer van Cornelis Jansenius, bisschop van Ieper ( 1585-1638), vond ook ingang in het klooster van de wittenonnen. De rector, Adam Janssens van Bilzen, werd op 11 december 1704 afgezet. Hij is als jansenist in Nederland gestorven. In 1726 legde priores Anne-Marie Dierna een grafkelder aan met 28 afdelingen, waarin 27 zusters en zijzelf (29 maart 1733) zijn bijgezet. Verder werden er nog ter aarde besteld: de zusters Joanna-Theresia van Hinnisdael (1735), Geertruide Voskens (1737), Helena de Horion (1746), Cornelia Squaden (1747) en Maria Lantmeters (1757). In 1840, toen het afgebroken gedeelte van het klooster van baksteen werd wederopgebouwd, zijn de stoffelijke resten van het Katharinadal naar het stadskerkhof overgebracht.

In 1453 moest prins-bisschop Jan van Heinsberg, die het getal der zusters aanvankelijk op 20 had vastgelegd, dat aantal verdubbelen. Twee jaar later, toen hij het geestelijk bestuur aan de minderbroeders toevertrouwde, stelde hij het maximum vast op 105, waarvan 80 slotzusters en 25 buitenzusters. Om gezondheidsredenen verkreeg moeder Aleidis Blaerthuys rond 1470 de toestemming om naast het beluik van het klooster een moestuin aan te leggen. Acht jaar later kocht zij een stuk land langs de stadswallen om het gebouw te kunnen vergroten. De prins-bisschop stond toe dat zij de omheiningsmuur aan die zijde tot achter dat stuk land verlegde, dat zij het vervallen Dwolfhuys liet afbreken en dat zij langs de Demer een nieuw gebouw oprichtte. Dat gebouw, aan de linkeroever van de rivier gelegen en door een brug met met het hoofdgebouw verbonden, werd bewoond door de buitenzusters en heette het cleyn clooster. Het werd, totaal bouwvallig geworden, in 1742 afgebroken en niet meer opgebouwd.

Op 12 februari 1493 gingen 41 zusters naar het nieuw gestichte klooster Sint-Annadal te Luik (4). Toen in 1561 de stad Hasselt door ziekte en ellende werd geteisterd en het volk door protestantse predikanten tegen de kloosters en de priesters werd opgeruid, werden de wittenonnen gemolesteerd en twee deuren van het klooster werden stukgeslagen. In de tweede helft van de 17de eeuw was het aantal kloosterzusters tot 25 geslonken. Tijdens het octaaf van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopneming van het jaar 1669 werd e overste Maria Brimial op wonderbare wijze van een chronische kwaal genezen, een gebeurtenis die geboekt staat in het register van de broederschap van de Virga Jesse (deel I, folio 286). In de 17de en de 18de eeuw bestond de eigendom van het susteren clooster uit 78 bunder, 8 grote en 17 kleine roeden. In 1670 had de stadsregering de zusters verzocht oft zy niet met vruntschappen begheren dat privaet over den Deymer aeff te breicken oft niet. De nonnen hebben toen aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Ingevolge een ordonnantie van 13 mei 1705, die streng voorschreef de secreten op geen andere plaatsen uit te gieten dan achter het molenrad, waren de zusters verplicht hun heymelyckheit op de rivier weg te nemen. De verstandhouding tussen het stadsbestuur en deze aristocratische kloosterorde was niet al te best; de wensen en opdrachten van het gemeentebestuur werden niet ingewilligd, terwijl de andere kloosters en het Begijnhof zich gewillig toonden. Dit gebrek aan verstandhouding blijkt uit menig ordonnantieboek. Zo staat o.a. op folio 113 voor het jaar 1654, toen het Sint-Katharinadal weigerde vijf paarden te stallen: in cas van nieuwe weygeringhe oft geene openinghe van den stal, dat den selven sal geopent ende opgeslaghen worden. In 1673 hadden de zusters, net zoals in 1595, bezwaren tegen het betalen van nieuwe buitengewone lasten.

In het jaar 1735 werd de vervallen kerk wederopgebouwd. Zeven jaar later verbouwde dezelfde overste, m.n. Joanna-Gerardina de Liebigh, het gedeelte van het klooster dat door Aleidis Blaerthuys in 1494 langs de Demer was opgetrokken. Ankers in de muur langs de rivier wezen het jaar van verbouwing aan. Bijna een halve eeuw daarna werd de onderaardse gang aangelegd die de tuin en de boomgaard van het klooster met de boerderij aan de overkant van de straat verbond, want binnen de muren van het kloosterslot hadden de zusters een tekort aan frisse lucht. Het uiteinde van deze gaanderij in de tuin van de stokerij van Jozef Theunissen was nog te zien en werd als stapelplaats aangewend. De stokerij werd, na de Franse Republiek en de verkoop van de kloostergoederen, in de boomgaard van het klooster gebouwd. Zij werd eerst uitgebaat door Leo Vaesen, broer van de pastoor-deken, en dan achtereenvolgens door Leo Stellingwerff, Victor Stellingwerff en Jozef Theunissen. De kloosterlingen werden op 22 februari 1797 verjaagd. Uit de intendance van de wittenonnen blijkt dat de kerk, het klooster, de boomgaard, het kerkhof en de huisraad op 8 mei 1797 door de Republiek aan Nikolaas Van Russelt werden verkocht. Zaakwaarnemer Petit kocht de twee klokken voor 10 st. per pond. Daarna waren de gebouwen de eigendom van Van Russelts zoon Pieter en nog later van burgemeester Willems, die er een zoutziederij in inrichtte. Willems verkocht het complex op 8 maart 1837 voor 50 000 F aan de Belgische regering. In 1839 werden de kerk en het klooster afgebroken en in 1840 werden op die plaats een militair hospitaal en een kazerne gebouwd. In het begin van de 20de eeuw restten van het geheel nog slechts twee gebouwen en een sierlijk gewelfde kelderruimte langs de Demer. Deze gebouwen, die teruggingen tot 1743, herbergden aanvankelijk de zieke soldaten. Later werd er een school voor onderofficieren in ondergebracht en in 1875 werd er een gymnastiekzaal voor stadsonderwijzers in ingericht, die onder de leiding van schermmeester Jaumain stond.


(1)   De oorkonden van het klooster houden het bij de schrijfwijze Putsinx. Ida was de vrouw van Jan Putsinx. In zijn Hasseletum spelt Mantelius deze familienaam als Putlinx. Het testament van beide echtgenoten dateert van 12 augustus 1426 en werd door Ida (die inmiddels weduwe was geworden) overhandigd aan de stadsmagistraat, die het bij haar overlijden op 12 augustus 1428 bekrachtigde. Bij dit testament werd een huis met tuin geschonken, gelegen aan de rechter Demeroever op het terrein Die Wolfkens, op voorwaarde dat er een klooster van godvrezende dochters of weduwen van onbesproken gedrag zou komen. De tuin werd afgestaan aan de gezusters Mechtilde en Kathrien Hulkens en hun nicht Kathrien Hulkens.

(2)   Deze priorij van de kruisheren te Luik werd in 1272 gesticht.

(3)   De naam Sint-Katharinadal werd ontleend aan het feit dat de eerste mis in de kapel op de feestdag van de heilige Katharina werd gecelebreerd, nl. op 25 november 1430. Om eenzelfde reden werd het klooster van de grauwzusters het Sint-Barbaradal genoemd.

(4)   In het vierde deel van de uitgave van 1769 van de Délices des Pays-Bas lezen we op bladzijde 125 dat les soeurs de Hasque ou le Val de Ste. Cathérine du tiers ordre de St. François in 1397 van Hasselt naar Luik zijn gekomen. Dat jaartal is beslist onjuist, omdat het Sint-Katharinadal in Hasselt pas in 1426 werd gesticht en de Luikse rue Condilistrée pas na 1493 tot rue des Soeurs de Hasque werd omgedoopt. Het jaartal 1397 is bijgevolg beslist met een eeuw geantidateerd. Het klooster te Luik werd op 13 april 1801 voor 420 000 F verkocht en daarna verbouwd tot burgerwoningen. Te Luik bestond sinds 1460 nog een klooster van les dames blanches.

Recent toegevoegd

De familie van of de Wideu voerde als wapen «in vair een verhoogde gouden dwarsbalk, beladen met een...
Gepensioneerd leraar Technische school te Genk maar herstelt klokken en uurwerken als hobbyist. Hij...
Zoon van Willems-Pollaris . Werkte al van 1936 in de zaak van zijn ouders in de Hoogstraat . Albert...
De familie Van Nitzen - vroeger van den Nitzen geschreven en afkomstig uit de streek van Alken - voerde...
De heer Luc Speelmans van Hasselt maakte de geschiedenis van zijn familie op. De oudst gekende stamvader...
Advocaat Fritz Willems werd geboren in Hasselt in 1883 als enige zoon van brander en zoutraffineerder in...
Zoon van Max Hören . Hij had een winkel in de Kapelstraat in Hasselt, waar onder meer Mathieu Geurts op...
Hij leerde het beroep bij zijn vader Max Hören . In 1939 begon hij een eigen uurwerkzaak in de...
Uurwerkmaker Carl Hören was van Duitse afkomst (Rijnland). Hij huwde Johanna Vaes (°20 november 1853)...
Hij leerde de stiel bij zijn vader Carl . Huwde in 1909 Victoria Dekens (°26 juli 1884). Hij vestigde...