Bessembinders - Bezembinders - uit: Waar de Heksen hun Bezems huurden… / Architectuur en Aannemerij op de Hei (1953)

Description

p. 1

Een oude geitenstal van 9 m2 volstond...

— II —

Lowie Metten doet eerst nog een flinke haal aan zijn sigaar, blaast de rook in wolkskes en ringskes naar de lamp en kijkt ze na tot ze met een plotse ruk door de buitendeur naar buiten worden gezogen. Nog even sippen aan zijn cristal en dan begint hij te vertellen, de handen gesteund op de kruk van zijn knoestige, eiken gaanstok.

VAN EEN EEUW TERUG TOT HEDEN

«Toen ik er nog niet was — ik spreek van honderd jaar terug — was hier niks te zien dan enkele schamele lemen hutten, een tiental, en daar woonden de bezembinders...»

«Van al wat ik u vertel is er niks gelogen, 't Is de klink-klare waarheid...»En Lowie voert ons terug naar de tijd van zijn jeugd, rond de jaren 1870 en korter bij ons. Hetgeen hij ons vertelt is het harde, haast onmenselijke leven van de bezembinders, die geleden en gezwoegd hebben voor een brok roggebrood en een kop geitenmelk. Die allemaal een groot gezin moesten optrekken, met niet anders dan hun blote handen.

Ze waren de armsten onder de armen der Kempen uit de vorige eeuw, die leefden van de schrale berken, de roestige hei, de groene brem en de taaie eikenstruiken. Hun enig gerief was een knijpmes, een lapzeis en een kruiwagen. Daarmee streden ze de strijd om de brode.

En toen Limburg het zwarte goud aanboorde in het begin van onze eeuw, waren hun talrijke kinderen de eersten die het harde, maar edele mijnwerkersleven aanvaardden en zich opwerkten tot de welstellende mensen van thans.

De oude stolphutten zijn verdwenen. Eerst werden ze vervangen door ruimere, lemen huizen en thans rijzen overal op de hei bakstenen woningen als paddestoelen uit de grond.

p. 5.

De tijd der bezembinders is voorbij en hun kloeke kinderen vinden thans hun welstand in de mijnen, die ze niet vluchten. Ze hebben de gehardheid in de strijd van hun voorouders overgeërfd en nemen aan wat hun eigen Limburg hun biedt, in dankbaarheid en overgave.

DE BEVERZAK

«Jaren terug, toen ik nog kind was...» en Lowie Metten vertelt...

Vlak tegenover de «Beverzak» kroop een zandwegel tussen de struiken door naar de hei, juist breed genoeg om een kruiwagenwiel en de ene klomp achter de andere op te zetten.

De Beverzak was oorspronkelijk een afspanning, waar de mensen, onderweg naar Hasselt, hun knapzak aanspraken.

Aanvankelijk had deze plaats geen naam. We hebben ons de moeite niet gedaan om een meer wetenschappelijke uitleg te vinden en we verhalen wat men ons voor de waarheid — trouwens de meest waarschijnlijke — heeft verteld.

De Kempen kende toen veel bedevaartplaatsen en we herinneren maar aan het kapelleke van Patsj, tussen Hasselt en Wimmertingen, waarover Alfons Jeurissen nog handelt in «Heikleuters».

De bedevaarders hielden in de afspanning halt tijdens hun «bedevaartgang» of «beévertgang», misschien naar dit kapelleke van Patsj. Tijdens hun oponthoud spraken ze daar hun «bedevaartzak» of «beêvertzak» aan, waarin ze provisie voor de lange tocht meenamen. Van dat «Beêvertzak» is later de verkorting «Beverzak» ontstaan en de afspanning had haar naam: ze had weldra zo’n faam dat ze overal in de Kempen bekend was.

STOLPHUTTEN OP DE HEI

Vanaf de Beverzak was men op een goei half uur op de Hei.

Een smal wegeltje zocht zich een moeizame doorgang tussendoor bremstruiken en eikengewas en ontmoette af en toe een kromme, eenzame den of een slanke, blanke berk. Dan kreeg het meer ruimte en slingerde plots vooruit door de vlakke hei, recht naar een troppel witte stolphutten, her en der neergeplant zonder vaste lijn. Het wegeltje sprong plots uiteen in een waaier van nog kleinere paadjes, die elk doodliepen vóór een der hutten, die schots en scheef overhelden, zich vastklampend in het mulle zand, zo over één zij.

ALS EEN GEFABRICEERDE WONING....

Op onze dagen schuift men in enkele uren een geprefabriceerde woning in mekaar.

Zo ging dat vroeger op de hei precies hetzelfde, zij het dan zonder enig comfort. «Een plan of architect waren helemaal overbodig. Van aannemerij was er ook geen sprake, maar wel van aan te pakken: men vloog er met een klocht volk op en op een houw en een douw stond de keet overeind. 's Morgens kwaamt ge voorbij en ge zaagt nog geen grondwerken en 's avonds kwam de rook al uit de schouw... », vertelt Lowie.

De bezembinders besteedden aan hun huizenbouw zeer weinig tijd en de winst op hun bezems was zo schraal, dat ze geen dag méér lieten verloren gaan dan hoogst noodzakelijk.

Slechts als een jonge bezembinder verliefd geraakte op een pront meisje en trouwplannen had, werd er gebouwd en zulks gebeurde bijna altijd op een Zondag of een feestdag. Familie en geburen kwamen samen, kozen een bouwterrein en gingen allemaal gelijk aan de slag. In groep trokken ze naar het Allemansbos, dat zijn naam hieraan dankt, dat «alleman» in dit bos haalde wat hij nodig had. Er werd niet gevraagd of dat mocht: er moest gewoond worden en dus moest het hout van ergens komen.

Een dertigtal dennen werden neergehaald en naar de plaats gesleept. Vier dennen werden stevig in de grond geplant op de vier hoeken en boven op de kop verbonden met dwarsbalken. Op gelijke afstand werden andere dennen tussen de vier hoofdhoeken geplant, stevige stokken er rechtop tussen gelast en dan werden daar tussen soepele takken gevlochten of gevitst van onder naar boven. Met man en macht werd door aan geklopt en gevitst en tegen de middag stonden de vier muren overeind. Nog enkele dwarsdennen voor het plafond, eveneens gedicht met vitslatten en dan begon de bepleistering met leem op de buitenmuren en op het plafond.

«Brikken hoefden we niet te bakken en vorstpannen staken we met de schup. Bouwmaterialen haalden we waar ze te vinden waren en we betaalden ze in drie keren: vandaag niet, morgen niet en nooit niet», zegt Lowie.

Stro op het dak en graszoden als vorstpannen en de woning was klaar. Een deurgat en enkele openingen voor vensters werden vrijgelaten: de deur werd getimmerd uit ruwe planken en waren er geen ruiten dan deed een doek voorlopig dienst. Het plafond kon men raken met het hoofd en de deur was zo laag, dat men niet rechtop binnengeraakte.

Een open haard en een gestampte leemvloer maakten de stolp woonklaar: ze was hoogstens 20 m2 groot en deed tegelijkertijd dienst als woon- en slaapkamer. Soms werd wel eens een afzonderlijke slaapkamer aangebouwd, maar toch nooit voor jonggetrouwden.

Een afdak werd tegen de gevel opgetimmerd en ingericht als geitenstal.

De meubilering was teruggebracht tot het hoogst-noodzakelijke: vier palen werden in de grond geslagen, daarrond vier planken, die onderling met dwarslatten verbonden waren, daarop wat stro en het bed was gereed. Een kastje was een rijkdom en kon wel eens op een uitverkoopt aangeschaft worden. Een kleerkist, een broodkist, een zelf getimmerde tafel met een paar stoelen, een kruisbeeld en een Lieve Vrouwke en dat was alles.

HIJ BEGON MET 9 VIERKANTE METER

Toen Jefke Quintens trouwde — dat is 33 jaar geleden — was de tijd aan 't verbeteren, maar hij begon zijn huishoudentje niettemin in een stal van 9 m2 groot. Hij kon. zijn schaarse meubelen er precies in krijgen maar van de ronde tafel moest hij een kant afzagen en dan stond ze precies 20 cm van de stoof: op een schone dag schoot de tafel in brand en het scheelde niet veel of hij was nog armer dan arm.

Later kon hij een woningske vinden van 16 m2, maar hij hield er niet van «altijd iemand anders klink te moeten vastnemen» en bouwde zich zelf een lemen huizeke. Jefke heeft van dit huisje maar een heel slechte herinnering: toen hij mortel aan ’t mengen was, maakte een grappenmaker hem wijs, dat hij die met zijn voeten moest treden. Jefke liep er dood-onnozel in, trapte als een bezetene in de kalkmortel en... geraakte 6 weken van de been: zijn voeten en benen waren totaal ontveld en letterlijk gevild door de kalk.

Jefke heeft als mijnwerker gewroet, dag-in dag-uit en nu moogt ge gaan kijken op de hei: Jefke bezit er een net nieuw bakstenen boerderijtje met een flinke lap beste grond.

De armoe is verdwenen, maar met fierheid vertelt hij hoe hij zich, net als al zijn geburen, eerlijk en met zijn blote handen opgewerkt heeft tot een welstellend man.

Toen Limburg arm was, was het niet hun schuld, dat zij nog armer waren, maar nu onze gouw de grootste rijkdom uit haar schoot prijsgeeft, delen zij ook in die rijkdom, niet als renteniers, maar als mijnwerkers, even kloek en even eerlijk, als toen ze nog arme mensen waren.

En Lowie en Jefke en Keupke en Naarke vertellen over die armzalige tijd tot 1920, toen ze nog bezems bonden, maar... dat is voor morgen.

('t vervolgt)

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...