Bessembinders - Bezembinders - uit: Waar de Heksen hun Bezems huurden… / De zwarte Kater nam Wraak… (1953)

Description

— VI —

Bok Jentje beleefde een hachelijk avontuur en over zijn verhaal kan gediscuteerd worden en dat kan men doen met al die spookgeschiedenissen, maar kurieuse dingen gebeurden er in die tijd.

Thans niet meer...

De heksen hebben geen bezems meer en zijn van lieverlede uitgescheid met hun kuren en plagerijen. En al dat licht heeft de weerwolf op de vlucht gejaagd. En kleine kindjes sterven niet meer zo rap of worden tijdig gedoopt, zodat ook de dwaallichtjes verdwenen.

De oude tijd is door, maar de oude mensen vertellen er nog graag van en pas na de eerste oorlog is de rust volledig komen neerdalen over bossen en hei en moerassen.

DE VERHALEN LEVEN NOG

«Ja maar, ja maar, viel Naarke de andere in de rede, ge moet nu maar niet gaan denken, dat het vroeger alleen spookte. Ik heb zelf zo nog drie rare histories meegemaakt en de laatste toen ik al ging werken in Winterslag. «Luister maar eens...»

DAT WAS HET EERSTE

Naarke was nog ne «snotjong» van een tiental jaar toen hij zijn eerste rare belevenis meemaakte.

’t Was vrij donker toen hij op zekere avond buiten zat, ergens langs een grachtkant. Af en toe zag hij een lichtje opflikkeren, maar hij dacht dat het een kat was, toen het opeens recht naar hem toekwam. Eerst tergend langzaam, maar dan sneller en sneller. 't Werd groter en groter en plots suisde bet rakelings langs zijn hoofd voorbij, bloedrood. Hij was zo overstuur, dat hij vergat zijn valdeurbroek dicht te knopen en in zijn blote flikker, met vliegende vaan achteraan, naar huis stormde. Doodsbleek, met horten en stoten, kon hij het eindelijk verteld krijgen. Niemand lachte hem uit, maar moeder werd heel ernstig en zei: «ge moet maar goed bidden, mijn jong! Die lichtekes, die ge zo ziet ronddwalen, dat zijn de zielkes van de wichterkes, die niet meer konden gedoopt worden en nu in ’t voorgeborgte der hel moeten blijven.»

Die woorden maakten indruk en sindsdien is Naarke speciaal gaan letten op de «zielkes van die ongedoopte wichterkes», maar hij heeft het opgegeven: er waren er meer dan er kinderen konden geboren worden, en daar stierf er dan nog bijna geen een van, zonder doopsel.

HIJ KWAM EENS VAN BOKRIJK...

Sinds die geschiedenis met die dwaallichtjes had Naarke niet veel schrik meer voor spoken en weerwolven en de hele heksenwinkel. 't Zou hem duur te staan komen.

Hij was naar Bokrijk geweest, had daar wat langer zitten praten dan nodig, er over gestoeft, dat hij zich van al dat duivelsgedoe niks aantrok en stapte toen alleen naar huis over het smalle wegeltje, aan weerszijden afgelijnd met diepe grachten. Een dichte nevel wolkte omhoog uit de naburige moerassen en uit de bossen klonk bij tussenpozen het akelig gekoets der nachtuilen. De maan was maar half uit haar schelp gekomen en dook dan nog telkens weg achter de wolken, zodat Naar af en toe moest stilstaan om niet van de baan te geraken. Hij kreeg er al spijt van zolang gebabbeld te hebben, maar er zat niets anders op dan thuis zien te geraken.

Als de maan weer eens even voorlichtte bemerkte hij geheimzinnige nevelschaduwen, die traag langs en voor hem door schoven en de meest grillige gestalten aannamen. Opeens, — hoe het precies gebeurd is, weet hij nog niet, maar 't was op een ogenblik dat de maan weer in een wolk ging schuilen, — voelde hij een zwaar gewicht op zijn schouders vallen, terwijl twee armen zich als twee tangen om zijn nek sloten. «De weerwolf in mensengedaante» flitste het door zijn kop. Hij wilde roepen, maar zijn keel was toegesnoerd. Hij wankelde even, stond stil en begon toen te dragen, te dragen, wel een kilometer ver. En die gestalte hing zo maar loodzwaar op zijn rug, zonder een kik te geven of te bewegen. Naar durfde zich niet verroeren, maar had al zijn aandacht nodig om niet van het wegeltje de gracht in te glijden. Plots voelde hij de armen van zijn hals glijden, een doffe plof achter zich en hij was vrij. Als een pijl uit een boog ging Naar er van door.

Wat hij precies gedragen heeft weet hij nu nog niet, maar dat hij iets gedragen heeft, dat is zeker. Wat wel eigenaardig is: een ander Kiewitenaar vertelde enkele dagen later dat hij op een donkere avond, van Bokrijk kwam en dat de een of ander goede ziel hem een heel eind gedragen heeft.

«WEG, HEKSENJONG...»

Naar ging toen al werken in Winterslag en op zekere dag kocht hij zich een fiets, een occasie.

Het was een hele goocheltoer om zich op zo'n ding overeind te houden en toen Naar de eerste keer op een namiddag z’n vehikel over het heipaadje naar huis manoeuvreerde, leek het er veel op, dat hij een halve week op de boemel was geweest. Hij zwikte van links naar rechts, haakte met de pedalen in de gras- en heizoden en zat er zoveel langs zijn velo als er op. Maar kunnen moest hij het en precies op het ogenblik dat het begon te gaan, kwam daar een zwarte kater voor hem opgesprongen, de staart recht in de lucht. Naar had een flinke vaart, maar die verrekse kat liep precies een meter voor hem uit op het paadje. «Weg, heksenjong, zwarte sloeber», brulde Naar en dat hielp. Opeens sprong de kater van het paadje, maar bekeek hem met zo'n koppel karbonkels, dat Naar er bleek van werd.

Die avond moest hij naar Winterslag, want hij had nachtpost. 't Was balkdonker, maar dat kon Naar niet schelen. Hij had een straffe carburelamp op zijn fiets en met een flinke hop, de voet steunend op de pin van de achteras, kwam hij op het zadel terecht en hij was vertrokken. Maar hij had nog geen tweehonderd meter gereden, of opeens begon diezelfde zwarte kater weer voor hem uit te biezen. Hij stak de staart pijlrecht omhoog, wierp zijn kop dan naar links, dan naar rechts en telkens flikkerde dat ene oog zo groen — vals, dat Naar het koude zweet uitbrak. En die kater bleef maar voor hem uit hollen: hij leek in het licht der lamp wel zo groot als een schepershond, nee soms wel een zwarte hengst. «En van stoppen was kerdjie geen sprake. In die tijd hadden nog alle fietsen een vaste pignon en ik moest wel trappen, willen of nie, die zwarte dragonder achterna, met zijn achterlicht onder zijn opgestoken staart...»

Naar is altijd een kloeke vent geweest en het begon hem tenslotte flink op zijn zenuwen te werken. « Als ge, nonde miljaar niet maakt, dat ge uit m'n lamp zijt, rij ik u kapot, smerige heksenkop». Dat was te veel geweest... De kater draaide zich plots om en zijne groene bliksems troffen Naar zo erg, dat zijn benen zo maar vanzelf stilvielen. Maar eer hij zo ver was, vloog het beest langs het voorwiel omhoog, over de lamp heen tot op zijn guidon en toen met een nijdige sis tot op zijn schoot... Naar loste het stuur, gilde als gek, greep de pels van de razende kater en sloeg toen tegen de grond ais een boom. Zijn fiets was omgekanteld en de carburelamp stond recht omhoog, te schijnen als een phare. Naar heeft van de kater niets meer gezien, maar als een hazewind is hij naar huis gerend, zonder fiets, en die nacht verlette hij een post voor de eerste keer van zijn leven…

«Jong, besluit Naar, ge kunt er van zeggen wat ge wilt, maar heksen en zwarte katers zijn heel zeker familie van mekaar». Hij lacht eens voor zich heen en zegt dan: «Ge moet nu niet gaan denken, dat het altijd gehekst was. »

De Rooie van de Pomp had eens een nieuwe bidon gekocht. Samen met zijn schoonbroer Lowie had hij de nachtpost. De eerste avond dat hij die nieuwe bidon had, was hij vóór Lowie vertrokken. Lowie stapte flink door om zijn gezel in te halen, maar opeens ziet hij daar iets flikkeren en schitteren. «Weer een heks» mompelt Lowie, klemt zijn eiken stok stevig in de vuist en slaat uit alle macht. Een doffe metaalklank weerklinkt en de koffie spuit de Rooie om zijn oren...

----

Zo was het leven vroeger op de Hei.

Veel is er veranderd, maar de mensen zijn er even vriendelijk en even hartelijk gebleven als hun voorouders. Thans heerst daar werkelijk welstand, die ze met hun eigen handen verdiend hebben.

We wensen de oudjes nog vele gelukkige jaren, omringd door hun kinderen, die aan mekaar gehecht zijn als één grote familie, en de jongere generatie, dat ze, met dezelfde werkkracht als die van hun voorouders, tot nog groter welvaart mogen geraken.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...