De Hoogbrugge (Grote Markt 2) - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 41-46

Die Hoichbrugge, Hoogbrugge, later Voetboge camer (58) behoort eveneens tot de oudste huizen van de stad. Het pand werd ten minste tweemaal verbouwd.

Achter deze en de overige woningen aan de westzijde van de Grote Markt liep een wenterbeeck of sauwe, in de volksmond Joedenbeeke geheten, omdat ze dwars over de Joedenstraet (Havermarkt) stroomde. (...)

De etymologie van de naam Hoogbrugge heeft men in verband willen brengen met de aanwezigheid van een executietoestel op de Grote Markt, bestemd om ter dood veroordeelden te onthoofden. In Luik heette men een dergelijk apparaat haut pont en elders ook wel pont de la décapitation. Die uitleg houdt geen steek, als men ermee rekening houdt dat slechts gedurende enkele jaren van de tweede helft van de 16de eeuw een galg op de Markt heeft gestaan, dat er op die plaats nooit onthoofdingen plaats hebben gehad en dat het huis Die Hoichbrugge reeds twee eeuwen tevoren zijn doopnaam droeg. De verklaring van die huisbenaming is dan ook veel eenvoudiger en minder griezelig. Eeuwenlang stond nl. voor de voorgevel van deze woning een blauwe steene bank genaempt die hooge brug. Die bank geleek hoegenaamd niet op een Hooftbrug of onthoofdingsbrug en werd daar dan ook allerminst voor gebruikt. Zij diende uitsluitend als toonbank voor het ingevoerde vlees dat voor de verkoop was bestemd, en dat daar werd gekeurd en, met het oog op de te betalen accijns, werd gewogen. In de registers van de bouwmeesters uit de 16de eeuw staat een uitgavepost opgetekend voor de aankoop in Luik van een ijzeren balans met alle gewichten, om het vlees op die hooge brugge te wegen. In het hierboven vermelde reglement betreffende de uitstalling van koopwaren op de Grote Markt wordt ook gesproken van die bancke van den helm, zondermeer een gewone zitbank ten behoeve van de eigenaar van deze woning. De eigenaar van Den Helm moest die verwijderen, wat in 1780 ook met de hooge brugge gebeurde, toen de stad in de verkoopakte van de Voetboge camer bepaalde dat de koper op eigen kosten die blauwe steene bank zou weghalen om het verkeer op de marktplaats te vergemakkelijken.

De eerste eigenaar, bekend uit een akte anno 1447, was Henric Typots der scoltet. In 1457 erfde zijn weduwe, Marien van Sombreff, werdinne van den Helm, het pand. Een van haar kinderen, Marie, echtgenote van Jan Pyphelinx, woonde er in 1473. Volgens een perkamenten akte van 23 augustus 1508 heeft de stad in mangeling vercregen van Jan Pyphelinx wettige man van Marie Typots het huys die Hoichbrugge mits drie gauden ende derhalven stuver jaerlix erceyns als die stadt geldende had op Jan Clerx huys in de Jodenstraet. Op dat ogenblik woonde er de herbergier Geert Greven. Vanaf 1474 werd het huis door de stad verhuurd aan Dierick Tielens, die toen op die Hoichbrugge het wynhuys hielt. Grote hoeveelheden rijnwijn werden opgeslagen in de bottelrye van den Voetboech. Die bottelrye (bottelarij, plaats waar wijn werd gebotteld en getapt) was eerder overgenomen van Het Sweert en zou daaraan in februari 1583 weer worden toegevoegd, toen het hier besproken huis door het stadsbestuur publiek werd verkocht. Na Tielens woonde er Henrick Typots.

Als rechtmatige eigenaar van deze woning getroostte de stad zich heel wat uitgaven om ze te verfraaien, te meubileren en te onderhouden. In 1570 werd het stadswapen in de gevel aangebracht. Van 1542 tot 1645 zetelde er het Hof van Vliermael, terwijl de Leenzaal van Curingen tot 1726 haar vergaderingen hield in Den Helm, hoekhuis van de Hoogstraat en de Grote Markt (N.-O.). Op 14 november 1726 stond de stad die voetboge camer af aen de H.H. Cavaliers ende lidmaeten van den Leensale van Curingen ten tyde zij hunne genachten (59) houden. (...)

Deze patriciërswoning aan de Markt diende tevens tot lokaal van de Cloeveniers van Sint-Quintinus, in 1487 gesticht met 60 leden in 1597 was zij het lokaal van de veerig leden der Voetboege gesellen van Sint-Sebastiaen, sedert 1501 versmolten met de Hantboge scutters van Sint-Joris, een gezelschap dat in 1488 was gesticht en in 1545 wettelijk onder prins-bisschop Joris van Oostenrijk was erkend. Deze verenigingen moesten samen met de Hant boege camer van de Lombaardstraat de nodige manschappen leveren om de wacht te betrekken aan de vier stadspoorten. Dat was de reden waarom zij geen huur betaalden voor de hun toegewezen lokalen, die eigendom waren van de stad. In hetzelfde gebouw was het corps de garde ondergebracht, het wachtlokaal waar de stadswacht 's avonds, enkele minuten voor negen uur, het wachtwoord gingen vragen, alvorens appel te houden en zich naar de poorten te begeven. Dat wachtlokaal bevond zich in een kleine benedenkamer van het huis. (Later werd de wacht ondergebracht in de Lakenhalle.) Voordat die schutters de oude Hoichbrugge als lokaal hadden (die naar hen Voetboge camer werd genoemd), woonde er kosteloos de stadsrijbode; later zou deze in het Schuttershof aan de Koetelstraete (Ridderstraat) gaan wonen. Toen de genoemde verenigingen hun intrek in het huis namen, zorgde hun knaap voor het onderhoud. Ook werden er tot in 1580 de sleutels van de stad bewaard. In dat jaar verliet het stadsbestuur de Grote Markt en betrok een nieuw raadhuis. oegen wij hier nog aan toe dat de voornoemde schuttersgezelschappen door de stad wettelijk erkend waren en subsidie kregen, evenals vaandels, wapentuig en zelfs uniformen, die aangetrokken werden wanneer zij in groep aan optochten, processies of andere stoeten deelnamen. Bij deze schutterskamers moet ook de Rhetorica worden gerekend, die in geval van nood optrad ter verdediging van de stad (69).

In het voorjaar van 1620 werd door het inmetselen van Naamse steen in de deur- en venseromlijstingen de voorgevel van de Voet boge camer opgeknapt. Dat soort arduinsteen kostte 365 gulden, het plaatsen ervan niet meegerekend. In 1780 nam het gemeentelijk bestuur zijn intrek in de Nieuwen Bauw van de Lombaardstraat. De stedelijke overheid verkocht de Voet boge camer aan de meestbiedende voor 4040 gulden. Henrick Pirelo (= Pierloz) kocht het in naam van zijn schoonvader, oud-burgemeester Joês van Manshoven. Bij die openbare verkoop werd bij akte de volgende bepaling vastgelegd: de koopers zullen de blauwe steene banck de hoogh brugge genaempt seffens naer de confirmatie van den coop doen afbreken ende de plaetse waer de selve staet laeten merct worden, het huis zal nooit mogen beheerd worden als tot iets anders als tot huysinge om bewoont te worden. Na Pierloz woonde er zijn zoon, na wiens overlijden de jonge weduwe Pierloz er een drukbezochte maar nette herberg uitbaatte. Dat scheen men niet altijd van een jonge weduwe te verwachten. Maar dat het hier inderdaad om een nette zaak ging, kan blijken uit een verzoekschrift van 13 juli 1816, opgesteld en ondertekend door J. Christiaens en J.-P. Crussier, twee officieren van het Nederlands garnizoen, en aan de burgemeester ter ondertekening gezonden, om uiteindelijk aan bevelvoerend generaal Van der Maasen van het bezettingsleger te worden overgemaakt. Tegen beide officieren was bij hun superieuren aanklacht ingediend als zouden zij bezoekers zijn van het koffiehuis van de weduwe Pierloz, een huis dat de aanklagers ten onrechte voor een kroeg wilden laten doorgaan, zelfs is het zoo verre gaande wij door zijn Edele, dat huys zijn verboden. De officieren bewijzen dat het koffiehuis gevrikonteert is (= bezocht werd) door den ritmeester Hoffman en andere officieren der kafvalerij en door fatzoenlijke heeren deeser stad. Zij vragen daarom een attest waarin gemeld wordt off het koffi huys onteerend is voor een Officier te vrikonteeren dan wel een fatsoenlijk huys. De Nederlandse cavalerieofficieren leverden met hun geschrift tegelijkertijd het bewijs dat zij op gespannen voet stonden met de spraakkunst en syntaxis van hun taal. Maar daar ging het natuurlijk een eerste instantie niet om.

De dochter des huizes, Katharina-Cecilia, huwde met Nikolaas Maes, die aan de Isabellastraat een jeneverbranderij had, die later werd verbouwd tot vier burgerwoningen. Na de dood van zijn schoonmoeder liet deze Maes het huis aan de Grote Markt moderniseren. Bij het gezin Niklaas Maes-Pieroz woonde ook diens schoonzoon Dr. Rousseau in, wiens broer aan de Raamstraat jeneverstoker was. Deze laatste woonde in het hoekhuis van de Raamstraat en de Botermarkt, De Dry Dragonders. Jozef Maes, de zoon van Niklaas, bleef ongehuwd en betrok samen met zijn nicht, juffrouw Rousseau, de Voet boge camer, waar hij gedurende enkele jaren een café dreef. Al gauw ging hij van zijn rente leven, opgebracht door zijn onroerende goederen binnen de stad en in Godsheide. Hij was voorzitter van de Koninklijke Vereniging Sinte-Cecilia. Toen hij stierf en later ook de inwonende nicht overleed, gingen haast al zijn bezittingen over in handen van Alexis Pierloz. Op 19 juli 1935 verkocht deze het pand aan de Grote Markt voor notaris Hage-Goetsbloets aan de Brouwerij van Alken, die er de naam Majestic aan gaf.


(58) De eerste Voetboeghe Camer lag aan de Aldestraat. Tot in 1559 was zij de eigendom van Jan Druegen. In dat jaar kocht de stad het pand (gichtregister 232, folio 224) om er het lokaal der Rhetorica in onder te brengen.
(59) Genachten: vergaderingen of zittingen. Men onderscheidde 'extraordinaire genachten' en 'genachten' of gewone bijeenkomsten.
(69) De gewapende maatschappijen veranderden dikwijls van naam. Tijdens zijn verblijf te Hasselt in Den Scherpesteen vermeldt Joost van den Vondel (1587-1679) het bestaan van vier kamers: de Handbusschieters of Musketiers, de Kruisboogschutters, de Armboogschutters of Archiers en de Rhetorica. In het stadsarchief (nvdr: nu in het Rijksarchief) berust een document van 1779, waarin de vier kamers omschreven worden als: Voetboge of Archers, Groote Kamer, Rhetorica en Hantboege. De Groote Kamer was de gilde van de vroegere Handbusschieters of Musketiers. Notaris Dewinghe uit De Voetboghe aan de Botermarkt noemt haar in het register van 1736-1739 de gilde van Sint-Gregorius, een naam die een halve eeuw later tot Sint-Joris werd verdietst.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...