Fruitmarkt - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 321-330

Dit thans geasfalteerde plein was een deel van het Groot Kerkhof, dat bestond uit het Engelenkerkhof (of Kinderkerkhof) [de vroegere Kiekenmarkt], het Rijkenkerkhof [de huidige Fruitmarkt] en het Pestkerkhof. Het Armenkerkhof [de huidige Vismarkt] lag aan de zuidkant van de parochiekerk. Zoals dat vroeger in al onze steden en dorpen het geval was, lag het kerkhof (het woord zegt het) rond de kerk. Het was slechts toegankelijk langs steegjes of enge straatjes, die in de 17de eeuw door roesters en later door stichels waren afgesloten. De toegang tot het Groot Kerkhof was aan de kant van de Hoogstraat evenwel zeer breed; op dat punt werd het kerkhof oorspronkelijk afgesloten door lindebomen en een eiken bank, later door een muur met een ijzeren poortje van traliewerk.

Op 31 mei 1724 kreeg meester-metselaar en aannemer Andreas Davignon vanwege de stadsoverheid de opdracht tussen het pestkerkhof en de achtergebouwen van de huizen van de Botermarkt (Komeet, Pulle, Herderinne, Dry Hespen en De Drie Leliën) een muur te bouwen. De muur is thans volledig verdwenen. Het Pestkerkhof was van het Rijkenkerkhof gescheiden door een laag muurtje dat stond ter hoogte van het vroegere huis Sint-Quintinus. Het Pestkerkhof – slechts 2 vierkante roeden en 18 el groot – lag ingesloten en werd dan ook het Cleyne besloetene kerckhoff geheten (gichtregister naar Luiks recht 246, folio 44).

Luidens een notariële transactie tussen de stad en de eigenaar van het huis De Herderinne, aangegaan op 26 juni 1598, had de laatstgenoemde woning aan de Botermarkt via het Pestkerkhof een uitgang (of doorgang) naar het Rijkenkerkhof. Op 5 november 1821 stelde Guilliam Borgions, eigenaar en bewoner van De Herderinne, aan de stad voor hem het Pestkerkhof voor 400 gulden Luiks te verkopen. Dat voorstel werd door de gemeenteraad aanvaard, rekening houdend met de aanzienlijke prijs, het bestaand servituut en de slechte toestand van de stadskas. Enige voorwaarde was dat de hogere overheid haar goedkeuring diende te geven. Zodra het plan bekend was, tekenden Petrus Van Paeschen, Dortangs en anderen verzet aan tegen de onderhandse verkoop. Daarop besloot de gemeenteraad op 23 december 1821 het Pestkerkhof door notaris Goetsbloets aan de meestbiedende te laten verkopen. Die beslissing werd bekrachtigd door het koninklijk besluit van 20 januari 1822. De verkoop vond plaats op 3 april 1822. Godfried Nolens, als bewoner van het huis De Bascule reengenoot, kocht de grond voor 305 gulden Luiks, met behoud en last van de vermelde erfdienstbaarheid. Hij heeft die twee vierkante roeden grond uitterhand aan de aanpalende eigenaars van huizen verkocht, zodat het gewezen Pestkerkhof geheel werd ingenomen door woningen aan de Fruitmarkt en door aanhorigheden van huizen aan de Botermarkt. Op dat kerkhof lagen de graven van de vele slachtoffers van besmettelijke ziekten als melaatsheid, pest cholera, huid- en bloedkwalen. Die ziekten namen zozeer toe dat de stad de toelating kreeg om ten zuidwesten van het Broeck (bij de Lazarijstraat, dicht bij de Broeckermolen) hutten te bouwen voer die liede die van pestilentiën zieck waeren. Er mochten daar ter plekke zelfs pestlijders worden begraven. De prins-bisschop zou die dodenakker later wijden, maar van die wijding, bij welke gelegenheid op stadskosten wijn moet zijn geschonken, maken de registers van de bouwmeesters geen melding, evenmin als van de overbrenging van die lijken naar het gewone kerkhof.

Wij zegden reeds dat het stadskerkhof was afgesloten. In de 16de en de 17de eeuw stonden in alle toegangstraatjes traliewerken (of roesters). Op 4 augustus 1713 besloot het stadsbestuur de dodenakker opnieuw af te sluiten met eysere roesters zooals de oudste inwoonders het te weeten aenduiden. De breedste toegangsweg – de naam 'straat' waardig geacht: Kortstraat – liep van de Grote Markt tot aan de westelijke ingang van de Sint-Quintinuskerk (het Sint-Sevruskoor).

Een kerkhof dat midden in een bebouwde kom lag en bovendien nog grotendeels in een laagte dicht bij de Hellebeek, was vanzelfsprekend onhygiënisch. Bovendien groeide de bevolking zo snel aan, dat oude graven opnieuw werden geopend om nieuwe lijken te bergen, wat in de omgeving een verderfelijke lucht verspreidde. De inval van de sansculotten in 1792, gevolgd door een onbeperkte reeks opgelegde brandschattingen, troepenbezettingen, krijgsleveranties en allerhande afzetterijen maakte de toestand onhoudbaar. De municipale raad 'gemeenteraad' wees zelf op de noodzaak om het kerkhof naar elders over te brengen. In zijn zitting van 11 vendémiaire jaar IV (3 oktober 1795) werd o.m. het volgende gezegd: Wij hebben slechts een stukje kerkhof van één roede te midden der stad (er bestaat nergens zulk een schandaal in 't geheele departement), waar men bij menschen geheugen begravingen doet zoodat het met lijken opgepropt is en men onmogelijk meer dan twee voeten diep kan; wij kunnen geen kerkhof buiten de stad aanleggen omdat de stad niets in kas heeft en vol schulden zit; het geval is wegens besmettelijke ziekte (buikloop) zeer dringend, dewijl eene besmetting zou kunnen ontstaan welker gevolgen onberekenbaar zijn. Het plaatselijk bestuur van de Franse Republiek verbood weldra dat er op andere plaatsen dan op het Armenkerkhof begrafenissen zouden plaats hebben. Ook werd verbod opgelegd voortaan nog lijken te begraven in besloten plaatsen als kerken en kloosters (decreet van 15 februari 1795). Tevens kreeg de stad de aanzegging onmiddellijk uit te kijken naar een grotere begraafplaats, die tenminste een half kwartier buiten de stadspoorten lag. Op 18 juni 1796 kocht de stad onder voorbehoud van goedkeuring een stuk grond buiten de Maastrichterpoort, een eigendom van ridder de Thier, tegen de vesten en gelaboureerd door den borgemeester Stellingwerff, groot 2 bonders, voor 7540 g. Het stadsbestuur onthield evenwel zijn goedkeuring, omdat de plaats te dicht bij de stad lag en overigens ook een te geringe oppervlakte had. Op 26 vendémiaire jaar V (17 oktober 1796) werd de aankoop goedgekeurd van 16 bonders grond voor 120 gulden jaarlijkse rente, gelegen achter de 'Kempische bareel', ten zuiden van de Vilstraat (of straat van Capermeer). Die grond behoorde toe aan de sepulchrijnen. Hij werd bebouwd door Cordens uit De Boschkar aan de Demerstraat. Ernaast lag de tuin van Jan Jacobs. Het nieuwe kerkhof werd op 23 oktober 1796 gewijd. De eerste dode, de vierjarige Johanna Boden, werd er op 20 oktober 1796 begraven. De volgende dag begroef men er de geneesheer Nikolaas-Michiel Berckx. De eerste begijn die er begraven werd, was Katharina Martens, die op 29 oktober 1796 in het Begijnhof was overleden.

Tien jaar lang lag de dodenakker er bij als een open veld, zonder omheining. Op 12 mei 1807 stemde de municipale raad een krediet van 11 415 F voor het bouwen van een muur. Op 11 maart 1809 werd nog een toelage van 2000 F verleend, om de kerkhofmuur uit oorzake van de ondergrond met pijlers of beren te versterken. Die steunberen zijn thans aan de noordijde en aan de oostzijde nog altijd zichtbaar. Toen de octrooirechten op 19 juli 1860 werden afgeschaft, waren geen stadspoorten meer nodig. Een van die ijzeren traliepoorten werd in de kerkhofmuur gehangen, nadat de muur parallel met de steenweg was vooruitgeschoven. Tot dan had de kerkhofmuur enkele meters van de steenweg verwijderd gelegen; midden in de muur hing toen een houten toegangspoort of 'bareel', waarboven een groot houten kruisbeeld. Aan dit kruis is volgend verhaal van het zat Jeuriske uit de Kempische Heide verbonden. Zat Jeuriske van de Kempische Heide keerde vaak dronken uit de jeneverstad huiswaarts. Telkens wanneer hij voorbij het kerkhof kwam, nam Jeuriske zijn pet af, maakte een diepe buiging en zei even deemoedig als luid: 'Goeien avond lieven Hier!'. De hovenier Achten, die het huis naast het kerkhof bewoonde (later werd het een veldwachterswoning) ergerde zich aan deze herhaalde zattemansgroet en besloot Jeuriske zowel zijn drankzucht als zijn spottend groeten af te leren. Hij verschool zich 's avonds achter het kruis. Zodra Jeuriske weer kwam aangestrompeld en zijn hartelijke avondgroet uitsprak, klonk het ernstig antwoord van het Christusbeeld (uit de mond van Achten): 'nen avond zaatlap!' Het zat Jeuriske wedervoer: ''t Zen oer affaire nie, ich drenk van 't mijn! – 'Ich zal oech hebbe, zaatlap!, weerklonk het en Jeuriske zag de twee armen van het beeld zakken als wilde Onze-Lieve-Heer van het kruis afkomen om hem bij de kraag te vatten. Plots vond Jeuriske zijn nuchterheid terug, liep op een draf de Hoogbrug voorbij tot aan de Keuterdoos, waar hij buiten adem neerzeeg. Daarna heeft hij zijn avondgroet niet meer uitgesproken. Ook durfde hij niet meer in staat van dronkenschap langs deze weg naar de Kempische Heide terugkeren!

In 1864 werd het kerkhof vergroot; daartoe werd een perceel grond aangekocht dat in de richting van de stad lag. Bij die gelegenheid werd ook de scheidingsmuur tussen de begraafplaats van de gelovigen en die van de andersdenkenden afgebroken.

Met uitzondering van De Muyseval en de lemen herberg van wijntapper Pieter Van Can, werden aan het einde van de 18de eeuw en in de 19de eeuw alle huizen aan de Fruitmarkt werderopgebouwd. Zelfs de aloude Muyseval werd gemoderniseerd: de voorgevel werd met een laag cement bestreken. Verschillende oude en voorname voorgevels was eenzelfde lot beschoren, wat de schoonheid van het stadsbeeld allerminst ten goede is gekomen.

Noordkant

-          Schuur en tuin

-          De Bascule

-          Achterbouw en uitgang (van De Herderinne aan de Botermarkt)

-          De Dry Roosen

-          Den Gekroonden Engel

-          De Doorne Croon

-          De Tennen Knop

* Corte Stratien van die suvelmerckt nae die pestkerckhof (Dit voormalige steegje had geen naam) (nvdr: nu Botermarkt)

-          De Muyseval

-          Overige panden

Zuidkant

-          De Fluwelen Pispot

-          Sint-Haubrecht

-          Sint-Quintinuskerk

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...