Grauwzustersklooster - Modemuseum (Gasthuisstraat 11) - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

Gasthuisstraat

pp. 257-259

[…]

Het stadsbestuur dat te allen tijde een beroep kon doen op de cellebroeders, beijverde zich ook om celzusters binnen de muren te halen, zodat de pestlijders de nodige verzorging kregen. Derhalve werden boden naar Geel en Diest, waar de andere kloosters van deze congregatie waren gevestigd. Bovendien was er in de eerste uitgaven i.v.m. de stichting van een nieuw ziekenhuis grotendeels voorzien door de edelmoedigheid van Herman Van der Ryst, pastoor van het Begijnhof, die op 26 september 1626 de helft van zijn aanzienlijk vermogen voor dit doel had vermaakt. Met de akte van 15 september 1626 had prins-bisschop en graaf van Loon Ferdinand van Beieren aan de grauwzusters van de reguliere Derde Orde van Sint-Franciscus de toestemming verleend om te Hasselt een klooster en bedehuis op te richten, doch slechts onder deze dubbele voorwaarde: 1° dat de zusters onderworpen zouden blijven aan de jurisdictie van de bisschoppen van Luik; 2° dat zij de burgers niet ten laste zouden zijn door omhalingen, maar in hun behoeften zouden voorzien door eigen inkomsten en door vrijwillige giften of aalmoezen van de gelovigen. Vooral dank zij de tussenkomst van Mantelius slaagde men erin op 28 mei 1626 drie zusters van Diest naar Hasselt te halen (1). Een dag eerder had de stadsdienaar Leys Matheuwis het Pesthuys op de rechter Demeroever en de pestboomgaert moeten ontruimen. De drie zusters, die de kern van het nieuwe ziekenhuis vormden, kregen deze ellendige plek als verblijfplaats toegewezen. De augustijn Melchior van Daelem, tijdgenoot en ooggetuige schrijft hieromtrent: soo vonden de dry susters dit huys seer onkuys ende ongeschikt liggen, sonder enig gherieff van huysraet, ende soo vol gaten in de mueren of wanden, alsoo dat men geen kerst in dit huys en kost brandende houden, want die wint sloeg daer alle kanten uit ende in (…) alsoo dat er anders niet te sien en was dan groote miserie ende ellendichheyt: veel tyts sliepen sy op het stroo en laghen soo miserabel dat de beesten in de stallen ghemackelyker lagen dan dese religieusen. Op 6 september, honderd dagen na haar aankomst, bezweek moeder Barbara Rummens reeds; zij werd op het kerkhof van de wittenonnen begraven. Op 28 oktober kwam Maria Wirix uit het klooster van Diest zich in haar geboortestad Hasselt bij haar twee overlevende zusters, Katharina Boonen en Gertrudis Van Schaffelen, voegen. Mantelius, rector van de grauwzusters, beijverde zich om de toestand van de kloostergemeenschap te verbeteren en vroeg bijstand van gegoede Hasseltse families. De burgemeesters Hieronymus Munters en Nikolaas Van Hilst (1627-1628) en hun opvolgers Herman Vuskens en Melchior Squaden verleenden aan de zusters ruime steun. Ook de families van de nieuw ingetreden Hasseltse zusters Dymphna Menten en Dorothea Van Muysen lieten zich niet onbetuigd. Reeds op 4 december 1626 wer er mis gelezen in de nieuwe kapel. De h. Barbara, feestheilige van die dag, werd door de nonnen tot patrones gekozen. Zo kreeg het klooster de (bij)naam Sint-Barbaradal. In 1628 brak in de stad de vreselijke pest weer uit. Enkele begijnen bezweken, onder wie Maria de Geloes, zuster van de pastoor, en haar moeder. Drie celzusters, m.n. de overste Maria Wirix en twee zusters, vielen eveneens als slachtoffer van hun onbaatzuchtigheid. Clara Bisschoppen werd de nieuwe overste van het klooster. Onder haar bestuur werd op 18 oktober 1663 de eerste steen gelegd van het ziekenhuis met zijn fraaie gevel en tuin. Drie jaar later was het stevige, grote gebouw voltooid.

Luidens een stadsordonnantie van 2 maart 1659 mocht het ziekenhuis geen vagebonden herbergen. Pelgrims en reizigers mochten er slechts één nacht per maand verblijven; alleen wie totaal uitgeput of ziek was, mocht drie nachten of zelfs langer gastvrijheid genieten, op voorwaarde dat de twaalfmannen daarmee instemden. Ook mocht er aan de gasten of aan de patiënten geen vlees, noch bier worden verkocht.

In de Annuaire du Limbourg van 1821, waarin de beschrijving van de kloosters in Maastricht is opgenomen, wordt gezegd dat in het jaar 1664 enkele zusters van Sint-Barbaradal op verzoek van het stadsbestuur naar die stad trokken om er de pestlijders te verzorgen. Zodra de ziekte was geweken, keerden zij naar Hasselt terug. Hun toewijding en verpleegkunst was evenwel door de bevolking van Maastricht zo hoog geapprecieerd dat de magistraat ervoor zorgde dat er in 1670 een klooster van grauwzusters in die stad werd gesticht. De in het Frans gestelde oprichtingsakte van 24 januari 1674, die in het stadsarchief van Maastricht berust, vermeldt de overeenkomst die met les soeurs grises résidentes en la ville de Hasque werd gesloten. De tekst spreekt van 16 zusters, die de ziekenverpleging zullen waarnemen de même qu'elles sont à Hasque.

De eerstesteenlegging voor de kerk vond plaats op 6 augustus 1667. De zieke jongen Petrus van Hilst schonk 2000 gulden voor het bouwen van de kerk. De eerste mis werd op 7 oktober 1668 gelezen en op 2 juli 1669 werd het bedehuis door Antonius Blavius, suffragaan van prins-bisschop Maximiliaan van Beieren, bijgestaan door Renier de Geloes, pastoor van Zonhoven, ingewijd.

Moeder Maria Bisschoppen stierf op 25 januari 1674 en werd opgevolgd door Maria Van Gennep. In 1678 was Maria Croy er overste. Zij werd opgevolgd door Joanna Marchal. Ten tijde van overste Clara Bisschoppen telde de kloostergemeenschap 21 zusters, een novice en de begijn Maria Otten. Op 11 september 1684 ontvingen de gasthuiszusters het vererend bezoek van de prinses van Medina-Celi en haar twee dochters, zes zusters ursulinen, acht edelvrouwen en edellieden uit haar gevolg, die in vier staatsiekoetsen, voorafgegaan door een voorrijder en geflankeerd door twee rijen van 25 ruiters, de stad binnenreden. De prinses trok zich gedurende enkele dagen in het klooster terug.

In 1683 en 1711 werden langs de Demer en langs de stadswallen stenen muren opgetrokken ter beveiliging van de zusters en van hun eigendom. In 1711 bouwde de stad ten zuiden van het Pesthuis een omheiningsmuur. Ook kende de magistraat een toelage van 100 patakons toe aan overste Monica Reynders, die het ziekenhuis voor alle zieken wilde openstellen en niet meer uitsluitend voor pestlijders. Toen Maria Lammens er overste was, kregen de grauwzusters op 22 mei 1718 de toestemming om de overleden ordeleden in een kist te begraven. Voordien werden de doden in kloosterhabijt op een plank gesjord.

Een Frans edelman, die in 1791 het woelige Parijs ontvluchtte en aldus aan de guillotine ontsnapte, kwam schuilen in het Barbaradal en stierf er op 29 november 1792. Hieromtrent vermeldt het NotItIe boeCk Van Die oVerLeDene sVsters gestorVen bInnen Dit ConVent (= 1785) het volgende: 1792 – 30 nov. Is in onze kerck begraven tegen de Communie banck naer den cant van de vensters, vyf a ses voeten naer het middel van de kerck den Edelen Heer Neomandel Ridder van de lyfwacht van den Coninck van Vranckryck (2).

Op 3 december 1796 werd de kloostergemeenschap door de Franse Republiek ontbonden en op 21 februari 1797 moesten de celzusters het ziekenhuis verlaten. Op 30 thermidor XII (17 augustus 1804) nodigde de stadsregering de grauwzusters uit om hun gebouw, dat tot kazerne diende, opnieuw te betrekken, maar de zusters gingen op dat verzoek niet in. De gebouwen werden op 14 december 1805 de eigendom van de commissie der godshuizen. De commissie kreeg de opdracht er een ziekenhuis in te richten. Leken verzorgden er tot in 1824 de ongeneeslijke zieken, maar tegelijkertijd deed het klooster tot 1818 opnieuw dienst als kazerne. Van 1815 tot 1817 logeerde er de 9de compagnie veteranen van generaal Van der Maasen. Op 13 februari 1817 verzochten de godshuizen de grauwzusters de ziekenverpleging weer op te nemen, wat door de Nederlandse regering werd toegestaan. In 1824 kwam de begijn Theresia van Eupen uit Diest, samen met vier godvruchtige vrouwen, het ziekenhuis bedienen. In 1825 aanvaardden zij het kleed van de grauwzusters en op 31 juli 1832 legden ze de drie kloostergeloften af voor de duur van vijf jaar. Op 15 april 1835 overleed de overste. Vanaf 1837 werden deze zusters tot de eeuwige gelofte toegelaten. In 1844 werden hun door de commissie der godshuizen de ongeneeslijk zieke mannen toevertrouwd. Tot aan de komst der ziekenverpleegsters waren de zieken over drie huizen in de stad verspreid. Een van die woningen was De Pasteye op de hoek van de Minderbroedersstraat, waarvan Pieter Reenders de verantwoordelijke en bezoldigde gastmeester was. In 1868, tweehonderd jaar na de inhuldiging van de ziekenhuiskerk, werden de mooie gevel en de binnengebouwen aan de Thonissenlaan opgericht. De kosten werden ten dele door de opbrengst van een tombola gedekt. Naast een geldelijke toelage schonk de stad eveneens het oude slachthuis, dat naast de tuin lag. In 1915-1916 werden naast het oude pesthuis nog enkele hulpgebouwen opgericht (3).

De namen van de stichters van bedden kwamen in vergulde letters op een granietsteen van de voorgevel. Een van de mildste weldoeners van het gasthuis was Lambert Van Brabant, echtgenoot van Elisabeth Goorden, uit de Maastrichterstraat. Hem werd, ter gelegenheid van zijn gouden bruiloft, op 28 mei 1878 een dichterlijke feestkrans aangeboden, waarin hem voor zijn mildheid hulde werd gebracht.

De verdienstelijke en meest geliefde moeder van het Sint-Barbaradal was ongetwijfeld zuster Clara (Antonia Dieben). Zij werd op 20 februari 1790 te 's-Hertogenbosch geboren. Onder het Hollands Bewind legde ze hier haar tijdelijke kloostergeloften af. In 1832 verbond zij zich door eeuwige geloften. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht in augustus 1831 verzorgde zij na de gevechten van Houthalen, Kermt en Hasselt, samen met enkele medezusters de zieken en gewonden. Op 29 juni 1835 werd ze tot overste gekozen. Tot aan haar dood werd zij om de drie jaar verkozen. In 1833, 1841 en 1853 verzorgde ze de talrijke choleralijders. Toen er in 1857 onder de arbeiders een tyfusepidemie was uitgebroken, was moeder Clara de ijverigste en meest toegewijde verzorgster. Zes zusters en de overste werden door de gevaarlijke koorts aangegrepen; drie van hen stierven. In 1859 verpleegde zij de choleralijders in de oude gevangenis aan de Cellebroedersstraat; zeven jaar later stelde zij dezelfde daad van naastenliefde. In 1860 werd het zilveren jubileum van haar installatie tot overste gevierd. Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 verzorgde ze verschillende gewonde vluchtelingen. Bij koninklijk besluit van 2 augustus 1875 werd moeder Clara-Antonia Dieben ter gelegenheid van haar gouden jubelfeest als kloosterzuster het burgerkruis van eerste klasse verleend. Op 4 augustus werd deze heuglijke gebeurtenis in het ziekenhuis plechtig gevierd. Bij het feestmaal droeg volksdichter Diederik Claes zijn Kransje aan de feestelinge voor; de slotverzen luidden:

Zusteren, paart uwe stemmen tot zangen;

Breidelt de vreugd niet, die 't harte doet prangen;

't Geldt onze Moeder, zoo innig bemind!

Gasten, met ons om den feestdisch gezeten,

Jubelt! En moge heel België weten

Wat voor een schat zich in Hasselt bevindt.

Die dit stukje komt te zingen,

Christen recht en rond, maar krank,

Liete 't eerloon niet bedingen,

Als, zijn goeden wil ten dank,

Een gebed, van Moeders bank,

Soms tot Godes troon mocht dringen.


(1) Op 14 september 1626 werd Mantelius als rector van de celzusters aangesteld; Renerus Judoci, prior van de augustijnen, werd benoemd tot hun geestelijk leider.

 (2) Deze emigrant was Frankrijk ontvlucht. Kort daarna verbleven in Hasselt nog enkele Fransen, van wie twee in Den Arent aan de Kapelstraat. De emigranten kwamen in Hasselt terecht in de periode tussen de veldslag van Jemappes op 6 november 1792 en de bezetting van de stad door generaal Eustache op 26 november 1792.

 (3) In het vroegere 'gasthuis' is thans het hoofdkantoor van politie ondergebracht. In de latere toegevoegde rondbouw vond o.m. het stempellokaal van de R.V.A. een onderdak. Op de plaats waar vroeger de ambulance werd gestald, heeft de stad een plantsoen aangelegd.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...