Kermt / Heerlijkheid - uit: Kermt & Spalbeek / Warm aanbevolen (2006)

Description

pp. 29-36

De heerlijkheid Kermt was eerst leenplichtig aan de graven van Loon en later aan de bisschop van Luik in zijn hoedanigheid van graaf van Loon. Als dusdanig werd telkens bij de aanstelling van een nieuwe feodale heer de heerlijkheid opnieuw verheven voor de Edele Leenzaal van Kuringen. In de tweede helft van de twintigste eeuw werden bij de vernieuwing van het dorpsplein de laatste resten van het feodale kasteel gesloopt. De overblijfselen werden getransformeerd tot gemeentehuis.

De oudst bekende naam van een heer uit Kermt was een zekere Willem, die in 1262 het bos van Paddermere aan de abdij van Herkenrode schonk. Diezelfde Willem is op 27 januari 1287 getuige in een oorkonde van graaf Arnold V van Loon.

Op 17 september 1307 wordt een overeenkomst gesloten in een geschil tussen ridder Arnold van Quabeke, heer van Kermt, en de abdij van Herkenrode over een stuk land te Helversrat bij Paddermere gelegen. Bij de overdracht van de heerlijkheid Rummen aan zijn zus Joanna van Quabeeck door graaf Lodewijk IV van Loon op 21 mei 1331 is ondermeer Willem van Kermpt aanwezig als getuige. Voor 1350 werd de heerlijkheid bestuurd door Godfried de Harduemont, heer van Kermt en van Hollogne op de Jeker. Hij was de vader van Jan de Harduemont die op 24 december 1379 leenverheffing deed voor bisschop Arnold van Horne. Laatstgenoemde stierf kinderloos. Hij liet zijn leen over aan zijn neef Arnold, zoon van Arnold van Haultepenne. Deze droeg zijn goed over aan Jan de Berlaymont, heer van Floyon, die huwde met een achternicht van de voornoemde Arnold. Jan de Berlaymont releveerde (verheffen) de heerlijkheid Kermt in 1390 voor Jan van Beieren en in 1424 voor Jan van Heinsberg. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Gilis de Berlaymont die zijn leen releveerde voor Jan van Heinsberg in 1426 en in 1459 voor Lodewijk van Bourbon. Zijn zoon Michel de Berlaymont werd plechtig beleend in 1476 door de leenmannen van de bisschop. Hij deed op zijn beurt een leenverheffing in 1485 voor Jan van Horn. Uit zijn huwelijk met Joanna van Orley werden drie zonen geboren. Zijn weduwe deed in 1494 en 1506 een leenverheffing voor kardinaal Erard van der Marck. Zijn zoon Michel (II) volgde zijn vader op in het bestuur van de heerlijkheid. Hij verzekerde de continuïteit van de familieopvolging door zijn huwelijk met Maria de Barault. Michel (II) overleed op 23 juli 1516. Zijn oudste zoon Lodewijk releveerde het leen in 1526 voor Erard van der Marck en in 1538 voor diens opvolger Cornelis de Berghes. Lodewijk de Berlaymont was heer van Floyon, Haultepenne, Kermt en Engys op de Maas.

Lodewijk de Berlaymont was als heer van Floyon samen met de prins van Oranje, de graven Egmont en Hoorne, Granvelle en Viglius een van de ondertekenaars van het Verbond der Edelen in 1566 tegen de Spaanse bezetting van de Zuidelijke Nederlanden. Hij was gehuwd met Maria van Gavre, dochter van de heer van Vorsen. Hij overleed in 1567. Zijn grafsteen werd in 1684 door een van zijn opvolgers, Erasmus de Foullon, opgebroken en met een muurtje omgeven. Vervolgens werden zijn stoffelijke resten in een koffertje opgeborgen samen met die van zijn vader Michel en onder de grafsteen van deze laatste geplaatst. In de negentiende eeuw diende de grafsteen als zitbank voor de bezoekers die even kwamen uitrusten op het kerkhof. Toen Lodewijk zonder nazaten stierf werd hij opgevolgd door zijn broer Karel, die releveerde in 1567.

Na hem werd zijn zoon Claude in 1574 plechtig in het bezit gesteld van de heerlijkheid door de leenmannen van de Luikse bisschop. Als laatste van zijn stam volgde Florent de Berlaymont zijn vader op na diens dood in 1587. Florent verkocht zijn leen met alle aanhorigheden voor het bedrag van 21.000 gulden voor de luitenant en de leden van de Edele Leenzaal van Kuringen aan de familie de Schoenvliet op 20 oktober 1603. Op 21 oktober 1604 werd het eigendom van ridder Gisbert van Schoenvliet. Na de dood van zijn vader kwam Kermt in 1638 in het bezit van zijn zoon Charles van Schoenvliet.

Een anonieme Hasselaar, die leefde in de eerste helft van de zeventiende eeuw, schrijft in een eigentijds document dat Gisbert van Schoenvliet overleed in 1636. Hij werd in 1638 opgevolgd door zijn oudste zoon Charles die zijn legerdienst in Duitsland had volbracht. Deze laatste was een ambitieus iemand die via zijn relaties geen pogingen onverlet liet om zich te laten gelden en lid te worden van de Leenzaal van Kuringen, die toen in Hasselt zetelde. Indirect beriep hij zich op de steun van de Hasseltse augustijnen, capucijnen en minderbroeders met wie hij goed bevriend was, om hun invloed te laten gelden bij de raadsleden van de Leenzaal en zijn lidmaatschap te bepleiten. De baron van Hamme, voorzitter van de Leenzaal, verzette zich evenwel mordicus tegen zijn toetreding. Het meningsverschil met laatstgenoemde leidde op zeker ogenblik zelfs tot een wapentreffen. Waarom de heer van Schoenvliet uit de vergadering geweerd werd valt niet te achterhalen. Wellicht woog zijn adeldom niet zwaar genoeg voor deze doorluchtige vergadering of dient de aanleiding gezocht in een persoonlijke vete.

"Int jaer 1636 ben ic binnen Hasselt komen woenen en doen heb ic eenen ouwen grysen man gekend, genoempt Schoonvliet, deze recht doen gecocht hadde de heerlycheyt van Kermpt, soo ic doen gehoort hebbe, van eenen daer hij rintmeester van was: den naem van dyen heer was my onbekent.

Int leste van dat jaer oft het naevolgende jaer, teweten 1636, is dyen heer gestorven, achterlaetende twee soonen, den oudsten was soldaet in Duytslant, den anderen lach binnen Haecht tussen Loven en Mechelen en was daer (ten mynen besten) alferis (vaandeldrager); den oudsten, dye in Duytslant gedient heeft is heer van Kermpt gesuccedeert, nae de doot van de voors.vader, en van doen aff altoos sterc gearbeit om inde Leensael toegelaten te worden (gelyc toegelaten worden en recht hebben allen edelmans dye heerlijckheden hebben in dye quartieren). Desen was groot vrindt van de P. Augustynen, Capucynen ende besonderlyc van de Minderbroeders binnen Hasselt, alwaer de Leensael oft vergaderinghe van den adel alle maenden gehouden wirdt. Hier door is geschiet, dat de Minderbroeders groote devoyren gedaen hebben by henne vrinden van den Leensael, als waren den Baron van Vogelsanc ende zyne twee broeders, den Baron Hennef, de Paters Augustynen bij hennen singulieren vrindt den Baron van Hamme, alsdan stadthouwer van den Prins, ende alssulc President van de Leensael. Nyet tegenstaende dese groote devoyre en is den heer Schoonvliet inde Leenzael nyet toegelaten in mynen tyt, dyn geweest is tot het jaer 1641.

Den voors. heer van Kermpt heeft dit toegeschreven den Baron van Hamme als president van de Leensael. Hier omme ist geschiet int jaer 1637 oft 38 dat de Leensael vergadert synde binnen Hasselt op St. Franciscus dach, sulcken twist opgeresen is tussen den voors.heer van Kermpt met eenighe van syn seyde, ende den voors. Baron van Hamme mette syne, dat sy van beide syde de wapenen aengenomen hebbende, den heer van Hamme hem gesalveert heeft by de Augustynen en den heer van Kermpt by ons, en hebben groete moyte gehadt om hen van een te houden en soo en is den heer van Kermpt noyt in den tyt van den heer Baron van Hamme in de Leenzael geraeckt".

Charles werd in 1660 opgevolgd door zijn zoon Maximiliaan-Jozef, echtgenoot van Beatrix de Jeger. Beide heren leefden zodanig op grote voet dat de zwakke inkomsten van hun kleine heerlijkheid hun verkwistingen niet konden dekken. Toen Maximiliaan-Jozef zijn einde voelde naderen werd hij aangegrepen door het spookbeeld van de vele schulden die hij naliet: financiële schulden, wijnrekeningen, hotelrekeningen en zelfs een op krediet gekochte viool. Om de eer van zijn naam niet te besmeuren en omdat zijn huwelijk kinderloos was gebleven besloot hij om zijn heerlijkheid over te laten aan iemand die zijn schuldenlast zou aflossen. Met dit inzicht wees hij bij testament Erasmus de Foullon aan als zijn opvolger en uitvoerder van zijn testament, die dan ook vanaf 1672 de heerlijkheid Kermt bestuurde. Erasmus was geboren in 1607. Hij had een schitterende carrière achter de rug als lid van de geheime raad van bisschop Ferdinand van Beieren, raadsheer bij het leenhof en burgemeester van Luik. Eerst zorgde hij voor een waardige begrafenis van zijn voorganger Maximiliaan van Schoenvliet. Hij liet voor hem een grafzerk in de kerk van Kermt oprichten. De volgende jaren verzamelde hij moeizaam een bedrag van 105.000 gulden waarmee hij tegen 1680 alle schulden van zijn voorganger kon aflossen. De ambtsaanvaarding van Erasmus ging zonder feestelijkheden gepaard. Erasmus was nogal te zeer ingenomen door de situatie binnen het land van Luik dat bezet was door de legers van Lodewijk XIV. In tegenstelling met de verwachtingen van de bevolking die in armoede leefde, bracht de komst van Foullon geen verbetering in de toestand van de Kermtenaren. Foullon kon geen begrip opbrengen voor de sociale armoede waarbinnen de gewone mens leefde en bestuurde zijn heerlijkheid in de lijn van zijn feodale voorgangers.

Een beeld van 1684 toont aan hoe schrijnend de toestand binnen het dorp was. Verschillende woningen waren onbewoonbaar geworden en de eigenaars waren financiëel niet bij machte hun huizen terug op te knappen of op te bouwen. Bovendien moesten heel wat ingezetenen onderdak verlenen aan voorbijtrekkende troepen, zodat vele bewoners uitweken naar andere oorden om te ontkomen aan dit soort van hinderlijke verplichtingen en lasten.

Erasmus overleed in 1687 en werd opgevolgd door zijn zoon Erard-Denis, geboren in 1641. Hij was burgemeester van Luik en raadsheer bij de schepenbank van de bisschop van Luik. In weerwil van de uitzichtloze toestand van het dorp, dat toen nog 48 woningen telde en 300 panden in puin, werd de nieuwe heer bij zijn blijde intrede met ongemene festiviteiten verwelkomd. De voltallige schepenbank van Kermt, de luitenant stadhouder van de Edele Leenzaal van Kuringen vergezeld van een paar leenmannen overhandigde Foullon een handvol aarde afkomstig van Kermtse grond, als symbool voor de inbezitneming van de heerlijkheid. Vervolgens ging de nieuwe grondheer de banklok (noodklok) luiden in de kerk, en woonde hij de mis bij. Dan begaf de stoet zich naar het dorpsplein waar hij voor de verzamelde gemeentenaren de eed aflegde alle privileges en het gewoonterecht te zullen naleven. Tegenover de luitenant stadhouder betuigde hij ook zijn eed van trouw. Dan wierp de schout een partij zilverlingen te grabbel voor het aanwezige volk. Nadat de stoet zich een tweede keer kerkwaarts had begeven om er het Te Deum te zingen werden de officiële gasten uitgenodigd op een festijn. Het gewone volk werd vergast op drie tonnen bier. Overigens gedroeg de nieuwe heer zich tegenover zijn ingezetenen als een verlichte geest en veranderde er niets aan hun traditionele leefomstandigheden.

Na de dood van Erard-Denis de Foullon kwam de heerlijkheid in het bezit van zijn schoonzoon baron Nicolaas de Stockheim, die zijn leen releveerde voor de Leenzaal van Kuringen op 14 maart 1730. Een van zijn zonen François-Lambert de Stockheim  (1714-1789) was kanunnik van de Sint-Lambertuskathedraal van Luik, aartsdiaken van de Condroz en proost van het kapittel van Maaseik. Hij kreeg in 1750 de titel toegekend van heer van Spalbeek en van Kermt en overleed in 1789. Zijn naam is sedert 1977 verbonden aan een straat in de gemeente. Na hem kwam de heerlijkheid in het bezit van het twaalfde kind van Nicolaas. De Franse Revolutie maakte een eind aan het bestaan van de heerlijkheid.

Kermt was voorheen als heerlijkheid afhankelijk van de graven van Loon. De naam wordt voor het eerst vermeld in een charter van 1213, waarbij Lodewijk II van Loon met goedvinden van de bisschop van Luik aan de dames van Herkenrode de molen van Tuilt schenkt die gelegen is tussen Kermt en de abdij. In 1218 vermeerdert dezelfde graaf het bezit van de abdij met de tienden van Hasselt, Kuringen, Kermt en Stokrooie in ruil voor een bedrag van vierhonderd Luikse marken die de kloosterlingen hem geleend hadden om zijn bedevaart naar Jeruzalem te betalen. Toen de graaf nog in datzelfde jaar overleed bekrachtigde zijn broer Arnold III voormelde schenking en voegde er het patronaat van de kerken van de vier gemeenten aan toe. In mei 1309 werden, nadat onenigheid was gerezen over de eigendomsrechten van Kermt, Kuringen en Herkenrode, door de gezworenen van Kermt en Kuringen de grenzen afgebakend met paalstenen.

Ooit brachten kleinschalige handel en nijverheid een zekere welvaart mee. Er waren zelfs vijf ambachten. Verscheidene priesters waakten over het geestelijk heil van de inwoners. De abdis van Herkenrode die er tienheffer was, was verantwoordelijk voor het onderhoud van de kerk. Buiten de dorpskern lagen verschillende Loonse laat- en cijnshoven waarvan de namen tot vandaag bewaard zijn. In het noorden lag het omwalde Monnikenhof of de Holrackerwinning. Tegen de Lummense Kiezel lag op het grondgebied van Spalbeek het leengoed Veldeke met zijn molen, dat leenplichtig was aan de abdij van Sint-Truiden. Er was ook het leen Ten Roye, gelegen in het zuiden van de gemeente. Het woonhuis van dit laatste hof is nog steeds bewaard in sierlijk Maaslandse renaissancestijl, terwijl de hoevegebouwen in vakwerk zijn opgetrokken. Het cijnshof van Juncis en van Holrack kwam toe aan de pastoor van Kermt. De betaaldag van de cijnzen die de heer inde, was vastgesteld op het feest van de heilige Remigius en op de feestdag van Sint Stefanus. Cijns werd betaald in geld en in natura (kapoenen). Wanneer de sociale conjunctuur ongunstig was, waren de opbrengsten uit de cijnspacht uiteraard naar de lage kant. Bovendien inde de heer van Kermt nog cijns op de hoven van Terstraeten en het wenhof Busselken in Stevoort.

Nieuwbouw en de bunders bij de Demerbroeken en de Vierbonders brachten hem jaarlijks een niet onaardig bedrag aan grondbelasting op. Ook het huurgeld van de Veldekemolen, waar de inwoners gehouden waren hun graan te laten malen, bracht jaarlijks heel wat in het laatje. De Kermtenaren waren er tevens toe gehouden hun bier te laten brouwen in de brouwerij van hun heer. Jaarlijks werd de huur van deze brouwerij uitbesteed aan de meestbiedende. Andere rechten, zoals de gelden uit opgelegde boeten, het recht van de dode hand bij overlijden, en de tol op "wechgelt" die moest betaald worden voor het vervoer van vee, werden in detail omschreven in het rechtsregister van de heerlijkheid. Een van de particulariteiten inzake strafrecht was het asielrecht dat de heer kon verlenen aan misdadigers die zich in een andere gemeente of vrijheid hadden schuldig gemaakt aan criminele feiten. Tegen betaling van een geldsom mocht de schuldige een tijdlang zich vrij bewegen op het grondgebied van Kermt. In geval van doodslag of dieverij stelde de heer zich minder tolerant op en liet hij de schuldige aan een blok ketenen in een van de torens van zijn kasteel. De rechtshandhaving werd toevertrouwd aan een college, samengesteld uit de schout, zeven schepenen en een secretaris. In het Ancien Régime telde Kermt drie burgemeesters die elk in zijn wijk het bundergeld dienden op te halen. De inwoners die verdeeld waren over drie wijken ("wagen") betaalden aldus hun grondbelasting.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...