Leduc Jacques - uit: Kunst in de Kijker - 116 (2002)

Description

Reeds in februari 1999 werd in het kader van de reeks 'Kunst in de Kijker', nr. 81 een reeks litho’s van Jac. Leduc, nl. 'Hasselt gezien tussen 1960 en 1979' besproken.

Vandaag gaat onze aandacht naar het olieverfschilderij 'Vlaggen' uit de museumcollectie.

Uit het museumarchief werd het dossier Jac. Leduc opgediept en aan de hand van een aantal commentaren van kunstcritici bij tentoonstellingen van deze meester wordt getracht zijn rijke artistieke loopbaan te ontwikkelen.

Artistieke loopbaan

Jac. Leduc kreeg zijn opleiding aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Hasselt en werkte er o.l.v. de begaafde schilder en uitstekende leraar Lucien Nolens.

Reeds op jeugdige leeftijd, 23 jaar (geboren in Ophoven op 27.08.1921), nl. in februari 1945 stelde hij zijn werk voor in de zaal Plaza. Met 30 doeken, wat wijst op een gestage, volgehouden inzet, kon hij toen al een individuele expositie aan. Nog vele zullen volgen in een non-stop tempo. G.L., Guilliaume Leduc, schrijft hierover in Nieuw Limburg. “Het weze voldoende aan te stippen, dat zij allen getuigen van een strenge ontleding van het licht”. Vandaar die dikwijls opvallende contrasten en die rijke kleurenschakering. Jacques Leduc is een impressionist die weet uiting te geven aan zijn gevoelig temperament. Leduc is voor alles een landschapsschilder. En dat blijkt ook uit de titels van de werken: Kempisch dorpje; Korenschoven; Oude winning (Zonhoven); Landschap (Hasselt); Demerboorden. Hiermee zit hij in het spoor van de succesvolle traditionele Limburgse schilders, zoals C. Wellens of schilders van het Limburgs landschap zoals Luikenaar Ludovic Janssen.

In april 1946 volgde reeds een nieuwe individuele tentoonstelling, ditmaal in het Hooghuis. De 46 tentoongestelde werken (39 doeken en 7 aquarellen) zijn ook nu een ode aan het Limburgs landschap: heide, berken, vennen, dreven, zonsop- en ondergangen. Toch dienen zich ook nieuwe thema’s aan: ‘Maneschijn te Houthalen’ of het ‘St.-Rosa straatje’: de eerste aanzetten tot wat in zijn latere werk tot volle rijpheid en kundigheid zal uitgroeien in zijn vele stadslandschappen en nocturnes.

In december van hetzelfde jaar neemt hij deel aan de 1e gezamenlijke tentoonstelling in 'Zaal onder de Toren', ingericht door de jongerenkamer van de pasgestichte kunstkring Pro Arte, samen met o.m. Pierre Cox, Paule Nolens en Clement Van Campenhout.

"Jac. Leduc peintre de la Campine Limbourgeoise, a l’ honneur de vous inviter à l’ exposition de ses oeuvres qui aura lieu à Charleroi, Les Galeries Nouvelles." In een commentaar in 'Le Rappel' van 23.04.1947 lezen we: "Le peintre sait voir le détail caractéristique d’un paysage" en verder "Malgré sa jeunesse, il a vingt-sept ans, M. Leduc affirme déjà une incontestable personnalité, laquelle est soutenue par une technique quasiment sans défaut".

Ná een volgende tentoonstelling voorjaar 1948, opnieuw in het Hooghuis, geeft kunstcriticus Jean Dessers in 'Het Belang van Limburg' volgende quotering aan het werk: "Groot is de vooruitgang wat betreft het métier en de matière. De toets is veel breder, veel losser, veel soepeler, meer vastheid en zekerheid gaan tevens gepaard met een grootser visie en de algemene uitwerking wijst op groter beheersing en gemakkelijker werkwijze"… en verder "Hij wil verscheidenheid in zijn doeken brengen"… En daarin blijkt hij wonderwel te zijn geslaagd overeenkomstig de commentaar van dezelfde criticus in 'Nieuw Limburg' n.a.v. een volgende tentoonstelling in het Hooghuis in februari 1950, 2 jaar later dus. "De verdienste van deze tentoonstelling ligt in het feit dat de jonge schilder ons ditmaal een bewijs geeft van veelzijdigheid, doordat hij het aangevat heeft, naast zijn gewone onderwerpen, een interpretatie te geven van de zee en van de bekoorlijke hoekjes rond de haven van Antwerpen…De kleine marines behoren tot het beste van de expositie…"

Bij de baanbrekende tentoonstelling 'De mijn', in 1951, algemeen aanzien als het beginpunt van de nieuwe tijd in de Limburgse schilderkunst werden 2 olieverven (Nocturne en Mijn van Houthalen) en 1 aquarel (Zolder) van J. Leduc geselecteerd.

Na de tentoonstelling in de Galerie Artes in januari 1952 is de kritiek van Jean Dessers ongemeen lovend. Hierin grasduinend lezen we dat Jac. Leduc in het stadium van de eigen persoonlijkheid is beland. Dat zijn realistische en tegelijkertijd poëtische interpretatie van hetzij het landschap: zij het Kempisch, rivier, zee, kanaal, of industrie, stads of havengezicht, behoren tot het beste dat bij ons werd voortgebracht. Er is sprake van ingeboren talent, een geweldige werkkracht en een stoere wil.

Als kunstenaar waardering krijgen van kunstcritici is beslist aangenaam, maar lovende appreciatie van medekunstenaars staat nog een trede hoger. Het was de hoogaangeschreven schilder Gaston J. Wallaert die zulke appreciatie uitschreef in een breedvoerig artikel in het weekblad 'Nieuw Limburg' ná een tentoonstelling in 'Galerie Artes' in oktober 1953. Kernwoorden hierin zijn: "bekwaamheid" enerzijds en anderzijds het in commentaren eerder ongewone "beschaafdheid" wat hier connotaties heeft van bedachtzaamheid, stiptheid, bescheidenheid en bezonken, verstilde, ingetogen, uitgekristalliseerde indrukken. In lang uitgesponnen volzinnen doorziet hij het werk van Jac. Leduc als het resultaat van rechtstreekse observatie van een levende voorstelling op een zeker ogenblik vastgelegd in een schets.

"Profetische" woorden zowaar, want het werk 'Vlaggen' uit 1987 is hiervan een copybook-voorbeeld. Zulke positieve uitspraken van een oudere, algemeen erkende, kunstenaar, zijn uiteraard een stevige stimulans om door te gaan.

Samen met Marcelle Severy exposeert hij in 1956 in de Brusselse 'Galerie Le Régent'. Ook hier wordt de "artiste jeune, plein de possibilités" aangemoedigd in 'Le Cahier des Arts'.

Ondertussen blijft hij een trouw Pro Arte-lid en grijpt elke kans aan om zijn werk te tonen op diverse tentoonstellingen georganiseerd door de kunstkring in Limburg en elders. De horizonverruiming gaat verder met korte verblijven in eigen land, kust, Antwerpen, Brussel en met studiereizen naar o.m. Parijs en Amsterdam, waar hij gecharmeerd wordt door Breitner en diens koloriet waardoor het eigen werk in die periode ook een bruiner aspect krijgt.

Eind jaren 50 is Jac. Leduc een belangrijk schilder geworden met een gevestigde naam en faam, die "met ere", noteert 'Nieuw Limburg', "de opengevallen rangen van onze vooraanstaande kunstenaars heeft aangevuld". De nadruk in zijn oeuvre (olies, aquarellen, schetsen) ligt nu op de zee in haar oneindige beweging en eindeloze kleurschakering en in stadsgezichten van Hasselt, Brussel, Amsterdam en Parijs.

De jaren 60 zijn o.a. de jaren van de tentoonstellingen in 'Galerie Willems' in 1962 en 1965, maar ook met een tentoonstelling in de 'St. Baafsgalerie' te Gent in 1966 en in 'Kunstgalerij Antiqua' in Genk in 1969. Twee elkaar aanvullende thema’s, met vele gezichten, zowel in olie als in aquarel drijven boven. 'Het Laatste Nieuws' schrijft hierover: "In een gedeelte van zijn werken blijkt Leduc geboeid door de stadsdrukte, het gewirwar van mensen in winkelstraten en op terrassen. Zijn ander werk weerspiegelt zijn verlangen naar rust, kalmte, die hij vindt aan de haven, langs een kanaal of dicht bij een vissersboot".

Luc Clerinx trekt in een recensie in 1969 n.a.v. de tentoonstelling in 'Kunstgalerij Antiqua' te Genk van leer tegen de nieuwlichterij in de kunst en stelt Jac. Leduc als voorbeeld van waarden, zoals arbeid, ambachtelijkheid, voorstudie en geduldig oefenen, tegenover de idee tout court, het onvoldragen experiment en de beunhazerij die toen der tijd in het kielzog van de tijdsgeest opgeld maakte in modernistische kunstmiddens.

Jac. Leduc was er steeds op uit zijn technische bagage te verrijken en aan te vullen. Hij ging zich nu ook toeleggen op de lithografie en nam in 1972 zelfs verlof om in het Frans Masereel Centrum te Kasterlee te gaan werken. Deze nieuwe verworvenheid resulteerde in een aantal bibliofiele uitgaven, "die door hun zeer beperkte oplage haast een geschenk van de kunstenaar aan zichzelf zijn": schrijft Roger Pulinckx in zijn inleiding op de tentoonstelling van 1993 in het CCH.

- 1976 Bibliofiele uitgave ‘Hasselt Gisteren en Vandaag 1’ (21 originele lithografieën)
- 1979 Bibliofiele uitgave ‘Zee-Beeld-Boek’ (10 originele olieverfschetsen in 14 genummerde exemplaren)
- 1980 Map ‘Oostende in de Kunst’ (1 zeefdruk en 9 originele lithografieën in 22 genummerde exemplaren)
- 1981 Bibliofiele uitgave ‘Hasselt Gisteren en Vandaag 2’ (20 originele lithografieën)
- 1985 Map ‘De Mijn in de Kunst’ (1 zeefdruk en 16 originele lithografieën in 20 genummerde exemplaren)
- 1988 Uitgave Kunstboek ‘Herkenrode’ (G. Caluwaerts – J. Leduc met 39 originele tekeningen; realisatie: Stad Hasselt, BBL en Heideland)

"In ‘Hasselt Gisteren en Vandaag 1 en 2’ toont Jac. Leduc de stad zoals die nog maar gedeeltelijk is. Typische hoekjes waar geen plaats voor bleef, maar ook een stuk mooi bewaard erfgoed" schreef André Moors in het tijdschrift 'Vlaanderen' (nr. 179–1980). Over 'Oostende in de Kunst' schreef René Veestraeten in 'Het Volk' in december 1980 "Meer dan eens heb ik bewonderend staan kijken naar die wondere zeilenpracht en de kabbelende mastenritmiek". “Het laatste werk in deze 'reeks": de map 'De Mijn in de Kunst' is voor Jac. Leduc een soort afscheid van de donkere wereld van de ondergrond, want intussen had hij het licht, de warmte, en de kleuren van het zuiden, meer bepaald van de Provence ontdekt". (R. Pulinckx).

Op de grote tentoonstelling in de BBL in november 1987 keken de aanwezigen met ver- en bewondering naar het "onstuimige, exuberante licht, zinderend over het landschap, weerspiegeld in het water, zich vastklampend aan steile cipressen en masten, schitterend in de rijen en rijen deinende zeilen, zich vasthakend aan bevlagde gevels, dansend over de heuveltop door de kunstenaar telkens weer opgevangen in wisselende compositie van transparant gele en groene vlakken, soms in de intensiteit van een rode aanzet, opgevoerd tot uiterste hevigheid: dat is Leduc, gefascineerd, gebrand en gebeten door het stralende avontuur, de bevrijdende ontdekking van het licht over de Middellandse zee, de Provence en haar stadjes, Vence…", en verder formuleert Schepen van Cultuur Wim Van Lishout, die de openingsspeech hield: ”Leduc blijft trouw aan zijn figuratieve visie op het kunstwerk, zoals hij die over de jaren heeft opgebouwd". Over het kleurgebruik van Jac. Leduc zegt Roger Pulinckx dat het hem eerder verwant lijkt met het niet-realistische krachtige koloriet van sommige Fauvisten. Een gelouterd fauvisme. In 'Vlaanderen' (nr.238-1991) schrijft Robert Vandereycken hierover: "Levendig herinner ik me de grote tentoonstelling van het werk van Jac. Leduc in 1987 in Hasselt. Nooit heeft hij zich ingelaten met modetrends, oppervlakkige actualiteit of enig verbaal vertoon". En ook nog "Dit is werk dat precies door zijn eerlijke vormgeving, koloriet en volgehouden gedrevenheid naar perfectie zo jeugdig eigentijds aanvoelt: werk gegroeid uit kennis, helaas zo’n zeldzaamheid in deze tijd."

In december 1988 verschijnt het kunstboek 'Herkenrode'. In 'Het Belang van Limburg' dat er op 12.12.1988 een interessant artikel aan wijdt lezen we: "Hij hoopt dat het boek toch één taak zal vervullen: dat het mensen meer bewust zal maken van de noodzaak om Herkenrode voor de toekomstige generaties te bewaren. Sommige gebouwen, vooral de molen, zijn aan dringende restauratie toe. Het zou prachtig zijn als 'Herkenrode' daar het signaal voor zou kunnen geven".

Hoe profetisch zijn deze woorden niet gebleken nu er concrete plannen bestaan om de site te doen herleven en de grote Tiendschuur reeds in zijn volle pracht werd gerestaureerd. In april 2002 sprong de eenhoorn weer op, de titel van het haiku-boek parafraserend dat bij die gelegenheid werd uitgegeven.

R. Vandereycken schrijft verder: "Het is niet te verwonderen dat dit oeuvre zijn weg naar het buitenland gevonden heeft. In al zijn facetten ontsnapt het immers aan elke vorm van provincialisme en ik zou het Europees noemen."

In de loop van 1990-1991 tijdens de Belgium-Flanders-Hasseltweek in Itami verhuisden 14 schilderijen en 4 litho’s van Jac. Leduc naar het Belgium Flanders Exchange Center in het International House van de wereldstad Osaka. 'De Nieuwe Hasselaar' stipt hierbij aan dat haar vele positieve reacties bereikten van het Osaka publiek, dat de werken nog voor een langere tijd wilde aanschouwen. Als internationale erkenning kon deze zending alleszins tellen.

In 1993 volgde nog een belangrijke tentoonstelling in het CCH. Roger Pulinckx hield de openingstoespraak en schreef de tekst van de zeer verzorgde catalogus. Hieruit: "Het Mediterrane landschap vormt het hoofdthema van deze tentoonstelling. De atmosfeer straalt rust uit en tegelijk iets als een feestelijke verwachting. Mede door de slechts sporadische aanwezigheid van mensen, lijkt het of het hier altijd zondag is…" Op deze tentoonstelling zijn ook enkele schilderijen van een hoog langwerpig formaat te zien. De schilder weet hier een opmerkelijk diepte-effect te scheppen. Het oog wordt van de benedenrand naar boven – en dus naar de diepte – geleid, zodat het schilderij een sterke ruimtelijke werking krijgt en méér van het landschap omvat dat bij een gewoon perspectief. Een visie die de kunstenaar graag gebruikt.

De laatste grote tentoonstelling met als titel '1941-2001 – Een leven voor de schilderkunst' was een retrospectieve Jac. Leduc in de Zaal onder de Toren. Zij bood een overzicht van zijn rijke kunstenaarsloopbaan en van zijn omvangrijke en schitterend oeuvre in de volgende disciplines: olies, aquarellen, litho’s en schetsen.

Bovendien bleef Jac. Leduc steeds deelnemen aan groepstentoonstellingen. Eerst als lid van Pro Arte en sinds 1977 als lid van de Hasseltse Kunstkring Acade, dat afgestudeerden van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten groepeert.

(Antwerpen) Vlaggen 1987

Het formaat van het werk is uitzonderlijk met een hoogte van 150 cm op een breedte van 50 cm.

Deze vorm geeft de mogelijkheid zoals hierboven beschreven door R. Pulinckx om méér van het landschap te tonen dan bij een gewoon perspectief. Hier werd toch het gewoon perspectief toegepast en was het uitzonderlijke formaat bijzonder geschikt om de verticaliteit van het middenrisaliet te beklemtonen en met rijen vlaggen in te lijsten.

Het is duidelijk dat dit werk niet beoogt een schilderij te zijn van het stadhuis van Antwerpen, maar wel dat zijn bedoeling erin ligt het spel van de vlaggen, het spel van kleur, licht en schaduw te vatten. De hoek van waaruit het gebouw werd bekeken is daarbij essentieel. Bij een frontaal zicht zou het gebouw zelf dominant aanwezig geweest zijn. Hoe meer men naar 1 zijde opschuift des te kleiner dat immense horizontale bouwvolume lijkt en hoe meer de vlaggen op de voorgrond treden, bijna los komen van de gevels, een eigen leven gaan leiden en de gevel haast verbergen. Een koppel op de voorgrond oriënteert onze blik en neemt ons zo mee in zijn fascinatie voor het vlaggenspel.

Er werd reeds beklemtoond dat bij Jac. Leduc niets zomaar ontstaat. Ook aan dit werk gingen becommentarieerde schetsen vooraf. Schetsen inderdaad en géén foto’s. Kwestie van zich in te leven wat bij het nemen van foto’s niet zo wil lukken, want té snel, té vluchtig en niet doorleefd. Op een terras worden de unalit-plaat, de tekenbladen en potloden bovengehaald en wordt de Grote Markt verschillende malen geschetst. Als geoefend kunstenaar staan de grote lijnen van het onderwerp vlug op papier en wordt op de achterzijde reeds de toekomstige uitwerking vastgelegd met korte geheugensteuntjes:
- Betoverend schouwspel tussen licht en kleur zonder bekommering om de vorm,
- Moment van voorkeur nog vast te leggen (uiterlijk van voorwerp verandert steeds),
- Heldere kleuren wit en rood vaak ongemengd, vlaggen,
- En in een kadertje apart: zie schets figuren 1956.

Thuis wordt die schets verder afgewerkt met diverse arceringen, trefzeker worden hier figuurtjes en auto’s aan toegevoegd, die het straatbeeld vervolledigen.

Uit de nota’s op de achterzijde van de schets kan men reeds opmaken dat schets en definitief doek sterk van elkaar zullen afwijken. De schets betreft in de eerste plaats een stadsgezicht. Maar al schetsend komt de kunstenaar onder de betovering van het kleurenspel van de in de wind wapperende vlaggen en onderzoekt hoe dát ene moment van uiterste beweeglijkheid in een stilstaand medium te vangen. Méér nog dan in de schets is de gevel achter de vlaggen eerder gesuggereerd dan prominent aanwezig. De horizontale frieslijnen en verticale raamomlijstingen worden soms door de vlaggen heen, soms met een verspringende lijn weergegeven, waardoor een effect van beweging ontstaat. De verfzetting van vlaggen en middengevel is eveneens anders. De middengevel is strak en effen uitgewerkt. De vlaggen daarentegen dartelen, bollen op, je hoort ze bijna wapperen en daarom is ook de verf krachtiger en met meer structuur aangebracht. De identificatie van de vlaggen speelt hier niet. Alleen de weergave van de impressie van dat ene sublieme moment telt en is bijzonder goed geslaagd. 

[...]

Recent toegevoegd

Prinsbisdom Luik, 1659

Gebrandschilderd glas. Hasselt, Het Stadsmus, inv. nrs. 2014.0370 tot en met 2014.0377.

Maria-Helena Hubrechts was de zus van E.H. Jozef Hubrechts . Ze overleed samen met hem in de nacht van...
Eerwaarde Heer Jozef Hubrechts was pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek. Hij overleed samen met zijn...
Van 2014 tot eind 2018 was Steven Vandeput minister van Defensie en Ambtenarenzaken in de federale...
Emiel Baptist werd geboren in 1895 in Godsheide als zoon van dienstknecht Andreas (Zonhoven 1847-Hasselt...
Auteur: Marc Jacobs Zie tekstpagina voor de uitgebreide beschrijving. Louis Berten werd geboren op 30...
1795-1824 : Etienne-François de Stenbier 1825-1867 : Charles-Philippe de Cecil 1868-1869 : Conrardus...
1830-1836 : Vandenborn, Hubert 1836-1864 : Stas, Paul 1865-1877 : Berden, Guillaume 1878-1884 : de Grady...
1830-1861 Gaspard Vandereijcken (Schulen 1798-?), brouwer-eigenaar 1861-1866 Pierre Jean Adons (Stevoort...
In 2013 werd beslist om de stads- en OCMW-diensten samen te gaan huisvesten in een nieuw...