Melis Jan - uit: Limburgsche koppen / Bij een jong Limburgsen Dichter / Jan Melis (1931)

Description

(…)

— Wel Jan…? Enkele data…?

— Ja, ik ben geboren te Beeringen in April 1902. Op de twee laatste klassen na volgde ik de lessen der oudere humaniora aan het College mijner geboorteplaats in het Sint Bergmans-College (nvdr: in Diest niet in Beringen). Daar heb ik vooreerst Dr. C. Godelaine als leeraar gehad. Zijn vinnige, klare betoogen staan me steeds nog voor den geest en zijn persoonlijke methode tot verstandsontplooiing en karaktervorming was uitstekend. Vervolgens kende ik daar priester Jos. Geurts, thans pastoor te Sutendael, wiens lessen steeds grooten indruk op me maakten. Zijn verzameling opstellen over onze VI. en Ned. schrijvers vormde mijn eerste letterkundige lectuur. Poësis en Rhetorica liep ik te Diest af.

Omstreeks 1915, op dertienjarigen ouderdom, had ik het geluk vader van mijn eerste gedichtje te worden. De Stervende soldaat had ik het dingetje gedoopt; sentimenteel en romantisch, niemendalletje onder den invloed van den oorlog ontstaan. De poëtische ader was opengebroken en 'n heele stroom van natuurgedichtjes werd op het papier vastgelegd. Te Diest, in de Poësis, bij het lezen en doorwerken der Grieksche en Latijnsche dichters Homeros, Horatius en Vergilius werd mijn dichterschap voor goed wakker geschud.

Horatius mocht ik toen wel mijn lievelingsdichter noemen. Van Vergilius hield ik minder, de Bucolica en de Eglogen uitgezonderd en waarmee ik toen ontzaglijk aan het dwepen geraakte. Te dien tijde begon ik dan ook mee te werken aan letterkundige schriftjes. Mijn beste pennevruchten stuurde ik naar het toenmalige rumoerige studententijdschrift De Storm. Daarin teekende ik onder den deknaam JAN BARD. In een letterkundigen prijskamp ingericht tusschen studenten stak ik mijn waarde mededingers de loef af met een gedicht in vrije verzen getiteld Judas. Heroïke tijd kun je denken!...

… En op ditzelfde oogenblik gaat het gelaat van onzen dichter ernstig worden, doodernstig; de oogen half naar buiten, de oogen half naar binnen gekeerd, tracht hij de zuiverste doch pijnlijkste herinneringen wellicht uit de assche van het verleden op te halen... tot hij gelaten voortgaat.

— Einde 1919, het waren de laatste maanden van de Rhetorica, werd ik ziek. Mijn vrijen tijd bracht ik te Beeringen door. Wandelen en nog wandelen, langs het kanaal, in de bosschen en over de heide. Als je me mij toelaat van een ontdekking te spreken, welnu, toen heb ik de heide ontdekt. Het zal je dan ook niet verwonderen dat ik toen een massa gedichten heb neergepend. Ziek zijnde, eenzaam rondslenterend, geen contact hebbend met begrijpende kameraden waren deze gedichtjes natuurlijk van een overdreven sentimentaliteit. Daarbij kwam nog de invloed van de Tachtigers — Perck bijvoorbeeld kende ik haast van buiten — invloed die machtig op mij inwerkte en waarin ik door sentimentaliteit verloren geraakte. Guido Gezelle en Van Langendonck waren toen voor mij de twee redplanken om daaruit los te komen. In 1920 begon voor mij een ware publicatie-koorts. Ik liet toen verzen verschijnen in HET VLAAMSCHE LAND. Later in LIMBURG. In 1922 kwam ik op het Provinciaal Bestuur terecht. In 1923 publiceerde ik in RECHT DOOR ZEE van Diest, tijdschriftje door mijn vriend Frans Demers gesticht.

Frans Demers leerde ik reeds vroeger kennen, omstreeks 1920. Uit dien tijd herinner ik me nog de blijde kennismaking met wijlen Pastoorke August Cuppens bij wie we gezellige en aangename avonden doorbrachten. Nooit vergeet ik Pastoorke Cuppens den fluitist... je had hem daar moeten zien bezig zijn… de duizendkunstenaar…! Herinneringen!... Welnu, in 1924 had ik het geluk opgenomen te worden, naast een Karel Leroux, een Raymond Brulez, een Firmin van Hecke, een Reimond Herreman, een Urbain van de Voorde in 'T FONTEINTJE, tijdschriftje dat toentertijd nogal veel kabaal maakte in het literaire kamp. Natuurlijk, ik word niet meer genoemd wanneer er nog spraak is van die Fonteintjes-mannen. Laten we insgelijks de GROENE LANTAARN niet vergeten waarin ik in 1925 een der eersten de aandacht op Gaston Jos. Wallaert vestigde.

In 1924 haalde ik mijn eerste lauweren op tooneelgebied.

Ja, Jan, indien we dit eens voor een volgenden keer lieten. De tijd dwingt... en... wat gaan me die heeren van de redactie zonderling toekijken indien ze lont beginnen te rieken en gewaar worden dat je wel een gansch dagblad lang zoudt willen voorthollen. Intusschen hartelijk dank, jongen, en tot genoegen...!

X.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...