Molenpoort - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 254-256

Tot in het jaar 1917 stond de benaming Molenpoortstraat op een muurplaat onder de Molenpoort. Omdat er langs deze verbindingsweg tussen de Demerstraat en de Kattegatstraat geen woningen lagen, staat de Molenpoort in de gichtregisters niet als straat vermeld. Deze straatnaam was vanuit historisch standpunt volstrekt niet verantwoord.

In het midden van de 19de eeuw werd in twee achtereenvolgende zittingen van de gemeenteraad de onvoldoende verlichting van deze plaats besproken. De stadsmagistraat gebruikt in deze besprekingen steeds de benaming Draeybaen. Een kwart eeuw later vermelden aankondigingen van notariële verkopen ook nog het toponiem Draaibaan. In een franstalig verslag van de gemeenteraad wordt deze weg geciteerd als rue du Port, de verkeersweg naar de (latere) kanaalkom. In 1863 werd de weg als Draeybaen gekasseid. Men kan betreuren dat het toponiem Draeybaen niet in ere werd hersteld. Op deze plaats stond immers langs de tuinmuur van de minderbroeders het draaistel met de koordendragers waarop de familie Leuris touw sloeg.

Toen aan het Kattegat langs de tuin van het ziekenhuis het slachthuis werd gebouwd – waar het beslist niet op de geschikte plaats lag, zoals de plaatselijke weekbladen terecht opmerkten – besloot de gemeenteraad de weg van het Kattegat tot aan de Demerstraat Slachthuisstraat te noemen. De bevolking heeft nochtans deze naam nooit gebruikt, evenmin als de naam Molenpoortstraat, men gebruikte de omschrijving aen of onder de Molenpoort, of – en dit tot aan het einde van de 19de eeuw – de benaming Draaibaan. De oude gichten daarentegen gewagen steeds van achter die moelen of over die stadtsbrugge achter die moelen. Evenmin accepteerde de bevolking de naam Koninglyke straet voor de Isabellastraat (1836), en de Beekstraat en de Dorpsstraat werden omschreven als op de Beek en in 't Dorp.

De watermolen, die bij de Draeybaen lag, ging door voor een 'stadsmolen', ofschoon de molen vijf eeuwen lang geen eigendom van de stad is geweest. De molen op de Nieuwe Demer behoorden tot 1366 toe aan de graaf van Loon en daarna aan de prins-bisschop van Luik, als graaf van Loon. Nadat hij ze zelf had uitgebaat, verhuurde de vorst zijn molens aan de stad of aan particulieren. Hier moesten de Hasselaren hun graan laten malen en het maalgeld aan de moelemeester (= pachter van de molen) betalen. Toen de banale molens nog toebehoorden aan de prins-bisschop, inde deze een maelghelt van 1/20 tot 1/13 van de waarde van het graan. De stad huurde ze op 16 december 1539 voor 80 vat rogge en 80 vat haver, 14 gulden en een hoeveelheid was. Analoge huurcontracten in 1692 werden voor zes jaar opgesteld en in 1698 voor twaalf jaar. In 1692 stelde de stad het maalgeld op 8 stuiver per vat tarwe en 2 stuiver per vat rogge. Op 24 juli van datzelfde jaar comitteerde zij tot den ontfanck van voors: impost Sr Godefridus Vanderlocht en accordeerde voor gagie 200 g. De aldus aangestelde inner van het maalgeld wordt in de stadsregisters vermeld als l'oeil du moulin, onder welke benaming sedert 15 oktober 1650 de impost zelf werd aangeduid.

Op enig afstand van De Moukens (of Meukens), in de richting van Genk, lag in 1525 een vollersmolen. De Willekensmolen op de Oude Demer diende in de 15de en 16de eeuw als vollersmolen en later als book- of lintmolen. De Broeckermolen, gelegen op de Nieuwe Demer, westwaarts buiten de stad langs het (latere) kanaal, werd in 1742 (1) van steen opgetrokken. Deze molen was een graanmolen, waar vooral gerst, maar nooit rogge werd gemalen. Toen de lakennijverheid nog in haar bloeiperiode verkeerde, diende ze vanaf 1545 als vollersmolen. Vermoedelijk werd in die tijd de Kapermolen (2) als graanmolen gebruikt. De Kuringermolen bevoorraadde ook een gedeelte van de stad.

Door het uitgraven van het kanaal in 1859 verdween de westelijke uitloper van de Broeckmolenstraat, die haar beginpunt had bij de steenweg Hasselt-Eindhoven en in feite het verlengde was van de Vildersstraat ten noorden van het kerkhof. Dit tracé werd door de bewoners van de Trichterheide en van de Willekensmolenstraat gebruikt om de Broeckermolen te bereiken.

In 1749 verkocht prins-bisschop Joris-Lodewijk van Beieren de stadsmolens aan schepen Jaak Minten, oud-burgemeester en eigenaar van Den Valck aan de Maastrichterstraat. De gichten verhalen dat de man eigenaar werd van de banale moelen met het huyseken. Minten deed onmiddellijk grote uitgaven om de gebouwen te herstellen en om de houten waterleiding van de Meukens (op de grens met Diepenbeek), die het water van de Stiemer over de Oude Demer naar de Nieuwe Demer bracht, te vernieuwen. Ook herstelde hij de sluis aan De Wolfkens bij Die Laus om het waterverlies ten voordele van de stadsgrachten en ten nadele van de molens te beletten. Tussen Minten en de stad ontspon zich een lang proces voor de Rekenkamer van Luik m.b.t. het maalgeld en de vrijstelling der molens van militaire lasten. Het geding werd op 29 juni 1757 beslecht door een transactie tussen beide partijen, op 14 juli van datzelfde jaar goedgekeurd door de prins-bisschop.

Jaak Minten was afkomstig van Bosch (onder Wellen). Hij was gehuwd met Cecilia Alen en stierf als weduwnaar in 1773. De erfgenamen van Jaak Minten, die de molen verkochten, waren zijn ongehuwde dochter Maria, oud-burgemeester Guilliam Stellingwerff-Minten uit de Nieuwstraat en Gerard-Nikolaas Wagemans-Minten, directeur van de keizerlijke posterijen. Op de veiling van 17 april 1773 deed Jan-Antoon Bamps een bod tot 25 000 gulden, maar hem werd den palmslag niet gegeven, omdat de inzet ontoereikend werd geacht. Op 30 augustus van datzelfde jaar werden de molen van de Demerstraat, de Broeckermolen, de Kuringermolen met de windmolen, de slagmolen, de branderij, een tuin van 14 roeden buiten de Kempische Poort en het huis De Valck voor 30 000 gulden toegewezen aan Marie-Kathrien Peuskens, weduwe van oud-burgemeester Joannes-Franciscus Stellingwerff.

In 1796 schafte de Franse Republiek de feodale rechten af. Sindsdien liet ieder zijn graan malen waar hij wilde, wat het verval van de banmolens met zich bracht. Op 1 september 1854 verkochten Wagemans, Cox en Teuwis de stadswatermolen met de daaraan toegevoegde stoommolen, de Broeckermolen met een tuin van 44 a 70 ca, de windmolen buiten de Maastrichterpoort op het Natveld met molenhuis (3) en de watermolen van Kuringen op Schaedenhof (nvdr: laathof Squadenhof) met de boomgaarden die 13 a 90 ca besloegen. Frans Teuwens-Cox, jeneverstoker op Henegauw, werd toen de eigenaar van de stadsmolens. Die molens werden in 1893 door de stad zelf gekocht. Drie molenstenen van de stadsmolens aan de Demerstraat hebben lang rechts van de toegangspoort van het Begijnhof gelegen, waar zij waren opgenomen in het trottoir van de Zuivelmarkt.

In 1870 vertoonde de stadsmolen bij de Molenpoort nog het schilderachtige beeld van de openliggende Demer met zijn brede molenkolk. Het was een dromerig plekje, waar de mijmerende wandelaar graag met nostalgie het verleden deed herleven, om van daaruit weemoedig tot aan het stille Kattegat te drentelen. Destijds stapten hier de Hasselaren onder de Molenpoort door met een zakje graan op het hoofd of op de schouder, of liepen de houten brug over die voor het mossige molenrad over de Demer lag, en begaven zich naar de aldaar gelegen vetterijen en branderijen. Ondertussen stond Leuris aan de stadszijde van de vliet langs de tuinmuur van de minderbroeders al fluitend en neuriënd zijn koorden te draaien, terwijl de witbestofte molenaar, de pijp in de mond door het kijkvenstertje van het molenhuis naar het zwarte, druipende molenrad tuurde dat plaste en klapperde in de bruisende rivier.

Wat spat dat, kladt dat molenrad

Van slaan en draaien nimmer zat,

En plonst en plast, en spoelt en spuit

Den dooven molder de ooren uit.

Hoe verlaten, stil en eenzaam zou de oude Draeybaen achter die moelen later worden! In vroegere eeuwen lagen er trouwens geen woonhuizen aan De Draeybaen. De rechtergevel van De Pyp, die ook de bovenbouw van de poort besloeg, liep er langs. Daarnaast lagen aan de kant van het minderbroedersklooster de magazijnen van de branderij Hussen (later van Renier Palmers), verder een aardperenstokerij en de jeneverstokerij van Vinckenbosch-Geraets. Al die gebouwen werden later de eigendom van de brander Leo Leynen. De molen lag aan de overzijde. Beneden bij het molenrad diende de gemakkelijk bereikbare en brede molenkolk tot drenk- en waadplaats voor de paarden en het vee. Op die plek mochten de inwoners luidens de stadsordonnanties ook hun secreten uitgieten.

Aan de noordzijde van de vliet bevonden zich verscheidene bedrijven. Aanvankelijk vestigden zich hier vetterijen en blekerijen, later branderijen met ossenstallen en de magazijnen van Stiers, Semsteens, Herman Van Rey en Anatool Cordens. Twintig jaar later vestigden er zich de industriëlen Engelen, Nikolaas Millen, de weduwe Briers, Jan-Lambert Vliegen en Lodewijk de Borman. In de tweede helft van de 19de eeuw lagen hier de bedrijven van Cyriel Elens, de Borman, Vanstraelen en Ponet.

In de zomer van 1834 werd aan De Draeybaen een vuurmolen opgericht, die enige tijd later teniet ging. Praktisch al die oude bedrijfsgebouwen moesten aan het begin van de 20ste eeuw de plaats ruimen voor de Limburgsche Yzergieterij. In die tijd werd ook de Demer tot aan de Thonissenlaan overwelfd.

In 1863 werd De Draeybaen gekasseid. Bij die bestrating werd ook de uitloper van een sauwe overdekt. Die sloot begon aan De Dry Snoecken aan de Aldestraat, kruiste de Lombaardstraat tegenover het stadhuis, liep links daarvan verder, dwarste ter hoogte van Het Zonneke in de Walputstraat, stroomde verder over de Minderbroedersstraat, langs de voormalige gendarmerie en door de tuin van de minderbroeders, die ze aan de noordwestelijke hoek verliet, en mondde dan tegenover de Gasthuisstraat op de Draeybaen in de Demer uit.


(1) Dit jaartal stond in muurankers in de straatgevel. In de arduinen sluitsteen boven de toegangsdeur aan de straatkant stond eveneens anno 1742 gebeiteld. Vanaf die periode werden zowel binnen de stad als buiten de wallen vele grote gebouwen van steen opgetrokken: de Scherpesteenwinning, de Augustijnenwinning, de schuur van Tivoli bij de Nieuwe Demer (1739), de woning van Tivoli (1809).

(2) Van de Kapermolen rest thans alleen nog de plaatsnaam, een weide langs de oude Demer, die vroeger de eigendom was van het ziekenhuis. In 1761 bestond ze nog als graanmolen. De inwoners van de Kempische Poort mochten met hun karren over de Kapermolenstraat tot tegenover de Hoogbrug rijden zonder 'bareelrecht' te betalen, omdat ze deze weg reeds gebruikten voordat er tolrecht werd geheven op de steenweg Luik-Hasselt-Eindhoven. De Kapermolenstraat bestaat nog ten dele. Noch van de Kapermolen, noch van de Duivelsbrug, die over de Oude Demer lag, is heden nog een spoor te bekennen. De vroegere molenkolk bevond zich in een verbreding van de rivier.

(3) Benevens deze graanmolen stond er tot in 1809 een windmolen buiten de Luikerpoort bij het tolhek (het Luikerbareel), ook 'Tivoli' geheten. In de 17de eeuw stond er een windmolen op de Reddelberg in het Dorp, d.w.z. op de plaats waar thans Van Veldeke 'zit'. De watermolen van Mombeek op de Molenbeek bediende een deel van Trekschuren en Rapertingen. De Willekensmolenstraat en de Kapermolen lagen op de Oude Demer. De eerste functioneerde enkele jaren als graanmolen, maar was daarna in gebruik als schorsmolen en book- of lintmolen. Op de Trichterheide bouwden Geert van Hilst uit Den Ketel en Marten Deckers in 1586 een slag- of smoutmolen, die gevoed werd met het snelvlietend water van de Vloedgracht aan het Nieuw Weyerken der Cellebroeders en de sluis van de Geloes. Een weinig meer noordwaarts lag langs de Slagmolenbeek of Zusterkloosterbeek nog een kleine slagmolen. Zij was van Jan de Geloes. De eerste en grootste van deze oliemolens werd op 17 december 1588 voor 60 gulden jaarlijks verkocht aan Jan Paesmans. Geert van Hilst behield evenwel het recht om er jaarlijks twee amen smout gratis te laten slaan. Op 17 juni 1766 verkocht schepen Jan Vannes deze smoutmolen aan Gerard Lelièvre uit Boeshoven (onder Borgloon). Van beide slagmolens is geen spoor bewaard gebleven.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...