Rechtspraak in het Ancien Régime - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 43-45

(...)
Als rechtmatige eigenaar van deze woning (nvdr: De Hoogbrugge) getroostte de stad zich heel wat uitgaven om ze te verfraaien, te meubileren en te onderhouden. In 1570 werd het stadswapen in de gevel aangebracht. Van 1542 tot 1645 zetelde er het Hof van Vliermael, terwijl de Leenzaal van Curingen tot 1726 haar vergaderingen hield in Den Helm, hoekhuis van de Hoogstraat en de Grote Markt (N.-O.). Op 14 november 1726 stond de stad die voetboge camer af aen de H.H. Cavaliers ende lidmaeten van den Leensale van Curingen ten tyde zij hunne genachten (59) houden.

Het Hof van Vliermael telde zeven schepenen. Voor die leden was vanaf 7 juni 1727 vereist dat zij hogere studies hadden gedaan en dat zij ten minste de graad van kandidaat-doctor in de rechten van een fameuse universiteit hadden. Andere voorwaarden waren: 25 jaar oud zijn (wat betekende meerderjarig zijn) en uit een wettig huwelijk in het Land van Loon zijn geboren. De schepenen werden ad vitam (nvdr: voor het leven, levenslang) aangesteld. Dit beroepshof kon voor het hele graafschap vonnissen, op voorwaarde dat tenminste vier leden aanwezig waren. In sommige jaren was het Hof niet voltallig, omdat aan de gestelde voorwaarden niet was voldaan. M.-G. de Louvrex stelt op p. 48 van zijn Recueil contenant les édits et règlements faits pour le pais de Liège et le comté de Looz 1714-1735: ‘De recordiums (= uitspraken) van dit hof zijn de orakels van de Loonse rechtsgeleerdheid'.

Tot aan het einde van de 13de eeuw zetelde het Hof van Vliermael, een landelijke gemeente op ca. 8,5 km van Loon (nvdr: = Borgloon). Zijn jurisdictie omvatte 72 gemeenten. Door opeenvolgende oorlogen was het dorp zozeer verarmd, dat Arnold V, graaf van Loon, de overbrenging van het Hof naar zijn verblijfplaats eiste; aan die eis werd evenwel geen gevolg gegeven. Op 22 maart 1469 verplaatste Lodewijk van Bourbon, prins-bisschop van Luik en graaf van Loon het Hof van Vliermael naar Hasselt. In laatstgenoemd jaar werd de instelling op bevel en in aanwezigheid van K.-J. de Lambrechts (61) ontbonden.

Tijdens het laatste kwart van de 14de eeuw was dat rechtscollege samengesteld uit de volgende leden: Fastrad van Romershoven, Robrecht van Etgertingen (onder Vliermaal), Walter Van der Moelen, Goswin van Romershoven, Christiaan Van den Bosch en Walter van Opleeuw. In de eerste helft van de 15de eeuw waren lid van dit hoge college: Jan van Luymertingen, heer van Opleeuw, die in Den Heyligen Geest aan de Maastrichterstraat woonde, Gerard van den Edelbampt, heer van Herten en Wellen, Willem Cannaers, heer van Jesseren, en Gillis In der Meet van Hasselt, heer van Steenbeecke.

De zeven schepenen van Vliermaal vormden voor 130 schepenbanken met lage of middenjustitie in het graafschap het hof van beroep in alle criminele gedingen. Zij constitueerden als dusdanig het oppergerecht van het graafschap Loon, in dezelfde mate als de schepenbank van de Souvereine Justitie van Luik fungeerde voor de schepenbanken die zetelden en oordeelden naar Luiks recht.

Het Leenhof van Munsterbilzen was beroepshof en hovaerthof (62) voor Wellen, Haccourt-Hallembaye, Kleine Spouwen en Berg. Buyten-Bilsen was sedert de 17de eeuw beroepshof voor 14 schepenbanken; het Hof van Vroenhoven trad op als beroepshof voor Montenaken bij Maastricht, Wilre, Heukelom, Linculen, Veulen, Rutten, Hoepertingen, Mopertingen, Nederheim, Paifve, Hermalle-Argenteau en Fallais. De Sint-Servaesbanck, die op het laatst in Vlijtingen zetelde in plaats van te Maastricht, omvatte als beroepshof Tweebergen (deel van Maastricht), Vlijtingen, Mechelen, Hees, Sluizen, Koninksheim, Groot-Loon, Zepperen, Heer en Keer, Berg en Berneau.

Het Hof van Vliermael, oppergerecht van het graafschap, gaf lering of recharge in alle criminele zaken aan de landelijke schepenbanken, die door hun gebrek aan rechterlijk inzicht weinig bevoegd waren om zware misdrijven en ingewikkelde rechtsgedingen naar behoren te beslechten. De schepenen van Vliermaal zetelden eveneens als assessors met beslissende stem in de Leenzaal van Kuringen, waar zij dan het hoger beroepshof in burgerlijke gedingen vormden, dat geldige en wettelijke vergaderingen hield op voorwaarde dat de meerderheid van de schepenen met ten minste vier caveliers of leden van de Leenzaal aanwezig waren.

De Leenzaal van Kuringen was het hoogleenhof van het graafschap, dat alle veranderingen inzake het bezit van cijnsgoederen moest boeken en tevens uitspraak deed in betwistingen en geschillen over rechtseigendom, erfrecht en materiële aangelegenheden (63). Dit hof zetelde aanvankelijk op alle plaatsen waar de graaf een voldoende aantal leenheren, cavaliers geheten, kon verenigen: in een herberg, een kasteelhof, zelfs onder een eikeboom. Zulks gold tot in de 14de eeuw. De nagelaten geschriften citeren ondermeer als tijdelijke of ambulante zetel de plaatsen Luik (8 september 1364), Alde Biezen (1365), Alken (1367), Seraing (1368), Moha (1370), Hoei en Loon (1371), Maaseik (1376) en Stokkem (1382).

In 1180 bracht Gerard van Loon zijn hof en woning vanuit het minder rustige Loon over naar het welvarende Kuringen. Daarom kreeg de Leenzaal van het graafschap bij zijn overbrenging in 1232 de naam Edele Liensale van Curingen. Die benaming bleef zelfs behouden na de overbrenging naar Hasselt en zulks bij edict d.d. 21 februari 1584 van de prins-bisschop Ernest van Beieren. Het verlaten van Kuringen geschiedde in gelijkaardige omstandigheden als het overbrengen van het Hof van Vliermael naar Hasselt. Om als edel lid of cavalier (ridder) in de Leenzaal opgenomen te worden, moest de kandidaat, ongeacht de voorwaarden van goed gedrag, geleerdheid en ‘inboorlingschap', in het graafschap zelf een edel leengoed met justitierecht bezitten, vijfentwintig jaar oud (= meerderjarig) zijn, en evenals de Maltezerridders, het bewijs leveren over acht adellijke kwartieren van voorouders te beschikken, wat ten tijde van Jan van Arckel (1364-1378) slechts 37 kandidaten konden bewijzen. Nadat in 1386 Arnold van Horn door paus Urbanus VI als bisschop van Luik was aangesteld - terzelfder tijd werd Eustachius Persyn van Rochefort door het Kapittel van Sint-Lambert en door tegenpaus Clemens VII benoemd - worden volgende leden geciteerd als cavaliers van het Hoogleenhof: Jan Schryver van Hoerne, Jan Bolle van Ryckel, Aert Bollen van Brusthem, Mathias van Heemslage, Godfried van Herck, Jan van Volen, Bruyn en Lodewijk van Tille, Gerard Printe en Guilliam van Gothem, Aert Greve, Amel van Leschi, Christiaan Vanderbyst van Sint-Truiden, Guilliam van Schoonbeeck, Gillis van Langdries, Henricus Burger, Gerard Quade van Curingen, Arnold Vandendriesch, Reyner Moerkens uit Het Sweert, Jan Moerkens, Jan Hullen, Walter Kevens, Henricus Milis, Guilliam Claes van Hasselt, Walter van Schoutbroeck, Lieven-Emiel Fortepeine, Warrior van Middelghem en Jan van der Moelen.

Om te kunnen zetelen als oppergerecht en geldige beslissingen te kunnen nemen, moesten tenminste vier ridders van de Leenzaal en de meerderheid van de zeven schepenen van Vliermaal aanwezig zijn. Voor dit gerecht brachten de stedelijke en landelijke schepenbanken (64), die elk ook zeven leden telden en die in criminele zaken naar Loons of Luiks recht vonnisten, de gewichtige en ingewikkelde gerechtszaken, waarvan zij de verantwoordelijkheid liever niet op eigen schouders laadden. Ook gebeurde het vaak dat zij ingevolge een onvolledige rechtskennis een uitspraak deden die in een terdoodveroordeling resulteerde. Zij vroegen bij het oppergerecht leeringe (recharge) (65) of gingen ter hofvaert. Gewoonlijk geschiedde zulks per bijzondere bode en gaf het bevoegde oppergerecht onmiddellijk zijn zienswijze te kennen, waarnaar de plaatselijke schepenbanken vonnisten. Hun uitspraak werd later ter controle aan Hasselt overgemaakte en geboekt in het Crimineel Rollboeck der Edele Eerentfeste schepenen van 't Oppergericht des graafschaps Loon. Verder zetelde het oppergerecht als hof van beroep, wanneer een veroordeelde zijn rechtszaak hoevetvaert wilde brengen, wat heel veel geld kostte.

Er waren in 1458 25 cavaliers. Toen Willem van Geloes in 1785 stadthelder was, telde men nog slechts zeven, te weten: de baron van Mettekoven, de graaf de Borchgrave, de graaf van Duras, de graaf van Preston, de graaf Hoen van Neufchateau en baron Copis; griffier was J.-G. Cox. Opdat de zitting volgens de wettelijke voorschriften zou verlopen, moesten tenminste vier cavaliers aanwezig zijn onder het voorzitterschap van de graaf of, wanneer deze afwezig was, van diens plaatsvervanger, de stadthelder (stadhouder) of de luitenant der lenen. Als graaf van Loon moest de prins-bisschop tijdens de eerste twintig jaren van de aanhechting van het graafschap bij het prinsbisdom het hoogleenhof persoonlijk voorzitten. Hij was zelfs verplicht de nacht vóór de pleitdagen te Kuringen door te brengen. In 1624 heeft Ferdinand van Beieren de Leenzaal te Kuringen voorgezeten. In april 1667 besliste prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik dat er jaarlijks drie beslissende pleitdagen zouden worden gehouden; dit getal werd vanaf 13 oktober 1667 op twee gebracht. De gewone vergaderingen hadden om de drie weken plaats, naar de verordening van 7 juni 1727 legde ze vast op dinsdag om de veertien dagen. Rekening houdend met de regelmatige en talrijke zittingen van de Leenzaal, zag de prins-bisschop spoedig uit naar een plaatsvervangend voorzitter.

Het stadhouderschap (stadthelder) werd tussen 1386 en 1430 ingesteld. De eerste stadthelder in 1425 was Arnold Cannart: zijn naam is blijvend verbonden aan het Cannartshof. Hun akten en beslissingen staan te boek in vijftig lijvige registers die de jaren 1361 tot 1794 beslaan; ze zijn opgenomen in het Rijksarchief te Hasselt onder de titel Register van Bekentenissen.

Naast de reeds genoemde cavaliers vinden wij in het laatste kwart van de 18de eeuw nog volgende namen vermeld: de graaf van Renesse Masny, de graaf van Renesse Oostmael, de graaf van Rummen, de baron van Segraed, de baron van Mellen, de baron van Roost, met Ferdinand Sigers als secretaris. De schepenen van Vliermaal waren op dat ogenblik: Briers, Loyens, Vrerix, Cox, Sigers en Vlecken. Die zetelden toen regelmatig met vier leden van het hoogleenhof om het beroepshof in civiele zaken te vormen. Het was bij dit hof dat de schepenbanken te hovetvaert gingen. De laatste leden die in het Crimineel Rollboeck vermeld staan, zijn: Borghs (voorzitter), de Luesemans, de Sigers, Schoonaerdts, Briers, Stellingwerff, van Henis, van Hese, Vossius, Willems en Wilsens als leden, terwijl Frederik Cox als griffier fungeerde.

In 1182 verwoestte Rudolf van Zähringen, bisschop van Luik (1167-1191), het gravenkasteel van Loon. Toen het kasteel van Loon in 1232 nogmaals werd verwoest, werd het hoogleenhof overgeplaatst naar het rustige en welvarende Kuringen. De bewering dat de Leenzaal van Kuringen twaalf jaar (van 1457 tot 1469) te Maaseik zou gezeteld hebben - zoals Mantelius op p. 43 van zijn Hasseletum te verstaan geeft, en waarin hij door J. Wolters in diens Notice historique sur la ville de Maeseyck (p. 20) wordt nagepraat, en ook door Frans Stals, kapelaan van Maaseik, op de pp. 23 en 70 van zijn Beschrijving van den vervaarlijken en vijandelijken Inval der Pruisische soldaten binnen de stad Maeseyck in het jaar 1740 wordt gevolgd - berust op een misverstand. Charles de Borman brengt op p. 43 van de aflevering VI van het Bulletin de l'Institut archéologique liégeois (1863) de gewenste rechtzetting: het edict van Lodewijk van Bourbon dd. 4.12.1469 beval de samensmelting van het leenhof van Maaseik met dat van Kuringen, dat de enige leenzaal van het graafschap bleef.


(59) Genachten: vergaderingen of zittingen. Men onderscheidde ‘extraordinaire genachten' en ‘genachten' of gewone bijeenkomsten.
(61) Karel-Jozef-Mathijs de Lambrechts, te Sint-Truiden geboren op 13 november 1753, doctor in de beide rechten, in 1777, op vierentwintigjarige leeftijd hoogleraar te Leuven en rector in 1786, werd in 1788 door keizer Jozef II belast met een onderzoek m.b.t. de Duitse universiteiten. Tijdens de Brabantse omwenteling vluchtte hij als keizersgezinde, maar hij keerde spoedig terug en kreeg een benoeming als raadsgeer van de Hoge Raad van Mechelen. Na de val van het Oostenrijks bewind ontpopte hij zich als een hevig republikein, werd minister van justitie van 4 september 1797 tot 30 juli 1799 en daarna voorzitter van het Departement van de Dijle, senator, graaf en commandeur van het erelegioen. Ook liet hij zich tot Fransman naturaliseren. Hij is de auteur van verschillende politieke geschriften. Hij overleed te Parijs op 8 augustus 1823 en onterfde zijn familie ten voordele van Karel d'Outrepont, die in Notice trouvée dans les papiers de Monsieur le comte de Lambrechts diens curriculum vitae schreef. Die levensloop is typerend voor een pluimstrijker van verschillende politieke leiders einde 18de-begin 19de eeuw.
(62) Hofvaert, hoeffaert, hoffert = verplichte tocht naar een gerechtshof m.n. het vragen naar een beslissing omtrent een twijfelachtige rechtszaak door het gerecht van een bepaalde plaats aan dat van een andere, meestal die waar het moederrecht was ontstaan. Hovetvaert = een zaak in hoger beroep aanhangig maken.
(63) De Bekentenisse of verheffing had plaats telkens als een bezit van eigenaar veranderde. Daarbij verscheen men persoonlijk of men liet zich door een gevolmachtigde, drager van een wettelijke lastbrief, vertegenwoordigen. De belening ging gepaard met manschap, hulde en eed na der zalen recht en werd gevolgd door betaling der rechten, waarvan een deel aan het leenhof en de kanselarij en het andere deel aan de graaf toekwam. Sedert de 15de eeuw was het Vlaams de officiële taal van het leenhof. Documenten die in een andere taal waren gesteld, moesten van een vertaling in het Vlaams vergezeld zijn. In 1546 verdaagden de cavaliers een geding waarin uitsluitend Latijnse en Franstalige stukken waren neergelegd; zij eisten dat eerst in een Nederlandse vertaling werd voorzien. De laatst ingeschreven bekentenisse werd op 15 oktober 1794 gedaan door Willem Thomson, die bij de kerk van Hoesselt woonde.
(64) In elke gemeente bestond de schepenbank uit zeven leden. Te Hasselt vormde zij de hoge justitie van de stad, die over alle criminele en burgerlijke zaken uitspraak kon doen en derhalve ook over tenminste één galg beschikte. Zulks lag echter niet binnen de bevoegdheid van de schepenen van minder belangrijke gemeenten, die slechts inzake lagere justitie uitspraak deden. Deze schepenen, die bijgevolg niets te maken hadden met de gemeenteraad en door de graaf van Loon waren aangesteld, boekten hun uitspraken in de criminele registers. In de gichtregisters boekten zij de renten op huizen en andere immobiliën, op de eigendomsbewijzingen door erfenis en op de verkopen bij proclamatie en met uytbranding der kerssen, die openbaar werden gemaakt door twee of drie aankondigingen aan het perron op de Grote Markt of bij afroeping door de pastoor vóór het sermoen van de hoogmis.
Voor de schout en de schepenen verschenen ook uit eigen beweging de personen die een zware misdaad - bijvoorbeeld doodslag na een vechtpartij - hadden bedeven en die hun misdrijf in overleg met de familie van het slachtoffer wensten goed te maken. Die verzoening werd soen, soune of vrede genoemd. De naaste bloedverwant van het slachtoffer schonk vergiffenis aan de dader en beloofde onder eed nu noch ten eeuwigen dagen geen vraeck daer op te doene offt aen syn goet noch oock aen syne maegen.
(65) Recharge vragen of te leeren gaen betekent zich wenden tot een hoger en bevoegder gerechtshof. Zulks geschiedde wanneer de schepenen niet in staat waren hun vonnis binnen de zes weken te vellen. In voorkomend geval begaven zij zich met het dossier van het rechtsgeding en de vaststellingen van een eerste gerechtelijk onderzoek naar de zetel van het hoge gerechtshof, hetzij het Hof van Vliermael, hetzij dat van Buyten-Bilsen, hetzij een ander al naargelang de jurisdictie. Na onderzoek en betaling van de getarifeerde kosten zond de bevoegde opperrechter de processtukken terug, met de formule van het vonnis dat de lagere gerechtshoven ongewijzigd moesten uitspreken. In burgerlijke zaken was de leering facultatief, in strafzaken was ze verplicht. Zodra het vonnis was uitgesproken, moest de tekst daarvan terug worden overgemaakt aan het hoge gerechtshof, waar die in het register van de recharges werd overgeschreven, hetgeen echter vaak werd vergeten of door de griffier gewoonweg verwaarloosd.
De heerlijkheid Beringen genoot een uitzonderingsregime: zij ging niet om lering naar het Oppergerecht van het graafschap Loon. Aldus lezen we in een charter van oktober 1239: Oft oock de schepenen van Beeringhen eenighe twyffelinghe hadden op het uytspreeken van eenighe vonnisse sullen hun laten leeren van schepenen van Hasselt ende alsoo die leeringhe hebben ontfangen sullen die selve pronuncieeren. De schepenbank van Hasselt bestond uit bekwame juristen, die hoge justitie uitoefenden en nergens recharge vroegen, tenzij in uitzonderlijke gevallen. Het was echter wel gebruikelijk dat zij met haar vonnis bij het Oppergerecht in beroep of hovetvaert ging.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...