Reus De Langeman - Don Christoph - uit: Kunst in de Kijker - 57 (1996)

Description

De Langeman

De Langeman is een constructie in hout, doek, papier maché en karton, gemaakt naar een ontwerp van Melchior Tieleman in 1810. Hij stelt een zittende, volledig geharnaste reus voor.

De constructie bestaat uit 7 delen: een stoel, de romp, 2 armen, 2 benen en het hoofd. De totale hoogte is ongeveer 5 m. Daarbij horen een houten zwaard in de linkerhand en een lans in de rechterhand. Over de schoot wordt een rokje van rood fluweel gedrapeerd, rond de nek een 5 m. lange rood fluwelen mantel. Op het hoofd horen ook nog een pluim en een houten kroon.

Om rondgevoerd te worden, wordt het geheel op een platte wagen gemonteerd en afgewerkt met een aantal decorelementen zoals schilden en bloemen. Sinds 1919 hoort bij de uitrusting ook een medaille van de oudstrijders en sinds 1975 een kenteken van de serviceclub Kiwanis.

De constructie is in vrij goede staat. De dragende houten onderdelen zijn onlangs grondig nagekeken en waar nodig hersteld door de stadsschrijnwerkers.

De ontwerper

Melchior Gommaar Tieleman werd geboren in Lier op 8 juli 1784. Hij studeert schilderkunst in Lier en Antwerpen. In 1805 vertrekt hij naar Parijs om zich verder te bekwamen bij de beroemde schilder Louis David. In 1810 duikt hij in Hasselt op en sticht er een kunstschool. Het stadbestuur benoemt hem er als leraar.

Van 1814 tot 1819 is hij in dienst als hofschilder in Hannover bij de Hertog van Cambridge. Tussen 1819 en 1824 verblijft hij een tweede maal in Hasselt en schildert er o.m. het portret van deken Vaesen. Daarna vertrekt hij voor een tweede periode van 5 jaar naar Hannover. In 1829 vestigt hij zich definitief in zijn geboortestad waar hij directeur wordt van de stedelijke kunstacademie. Hij overlijdt in Lier op 31 december 1864.

De geschiedenis van de Hasseltse reus

Hoewel de huidige versie van de Langeman dateert uit 1810 is de geschiedenis van de Hasseltse reus veel ouder. De oudste vermelding over het bestaan van een reus vinden we in het register van het Smedenambacht, waar in 1497 een bedrag van 4 stuivers wordt ingeschreven dat betaald was aan iemand "die Goliam droegh" in de processie. In 1499 vermeldt hetzelfde register:

"van den man Goliam te draghen V st;
aan den man ghemaeckt ende verdient VI st;
van lijnen laken aen Golias tessche V st."

Vanaf dan wordt de reus in het register vrijwel jaarlijks vermeld tot in 1513.
Het Smedenambacht bezat dus een reus die jaarlijks in de processie werd meegedragen. Na 1513 komt er geen vermelding van een reus meer voor in hun register, maar vanaf 1515 duiken allerlei kosten in verband met een reus op in de archieven van De Roode Roos. J. Gessler besluit hieruit dat de rederijkers de reus van de smeden hadden overgenomen. Er bestond inderdaad een zeer nauwe band tussen beide verenigingen: de ledenlijsten vermelden veel dezelfde namen en het Smedenambacht vergaderde in het lokaal van de rederijkers.

Vanaf 1639 blijkt dat de reus ook deelneemt aan wereldlijke plechtigheden. In dat jaar gaat hij samen met o.m. de rederijkers prins-bisschop Ferdinand van Beieren tegemoet toen die een bezoek aan Hasselt bracht. De stadsrekeningen vermelden een uitgave van 16 stuivers "Item betaelt aen Wilhelm Scoepen van inden grooten man te gaen, syne Hoocheyt te gemoet".

Het gaat hier natuurlijk al lang niet meer over dezelfde reus als in 1497. Herhaaldelijk zijn nieuwe karkassen en kleren gemaakt. De reus die Ferdinand van Beieren te zien kreeg in 1639 dateerde uit 1633. In dat jaar vinden we in de stadsrekeningen "extraordinaris costen" voor het maken van een nieuwe reus:

"Item is daer een extraordinaris statue oft figure van den groeten man gemackt, dinende om den omganck te verciren, die wellike gecost heeft eerst voor den mandenmaker voor 't corpus vyff gulden thien st. br.
't Fatsoen der tronie ende handen ses gulden brab.
Syn cleedinghe cost tsamen twee ent'wintigh gulden thien st. br.
D'lijnwaet ende maeckloon van den farredon cost twee gulden t'welf st.bb.
M. Thomas Morren voor die schilderije van die figure en der stadt van synen arbeijt vijfthien g.bb.
Ende voor t=stellen ende richten ses gulden achtien st.bb. aenden selven Morren;"

Toch moet ook deze constructie niet bijzonder stevig geweest zijn, want al in 1662 wordt opnieuw geld uitgegeven voor het "maeken van den groeten man".

In de 18de eeuw zijn er slechts enkele zeldzame vermeldingen over een reus in de straten van Hasselt. In 1701 en in 1714 gaat hij mee in de processie. Dat jaar vermelden de kronieken dat er in de ommegang een reus Goliath meeging "een levendich man wel negen oft thien voeten hoogh, gaende op houte beenen daetoe constich gemaect".

In 1790 spelen de rederijkers het stuk "Jozef in Dothan" en voor het maken van de toneelkostuums wordt de grote mantel van de Langeman aan stukken gesneden. Hier was heelwat om te doen want in 1792 was er de volgende zevenjaarlijkse ommegang. Ook in de schoot van de rederijkerskamer zelf is niet iedereen gelukkig met het kapotsnijden van de mantel, want er wordt prompt een spotdicht gemaakt.

"Het praalkleed van den man dat hebbe zijne Heeren
Misschien, zo denk ik wel, uit gunste gaan vereeren
Aen vader Jacobs zoon, in Dothan toen ter teid
Waer de Egyptische scheer uit een thien kleeren sneidt".

Zonder mantel kon de Langeman onmogelijk aan het "zevende jaar" deelnemen, maar de spotters bedachten toch al een oplossing op rijm:

"Dan roepen andre weer, daar is al raad geslagen
Hij gaat met blote vot hem zetten op een wagen
In een gesloten kas en stellen in 't fatsoen
Als het in Akças bad de sweetbehoevers doen;
Of op een kakkendoor kan hij te voorschijn komen
al net of hij gelap met pond had ingenomen.
Hij kan tot meer gemak ook een gordein omhangen,
Waaronder neergebukt hij toont zijn achterwangen
In form van vollemaan, thans zuiver ende net
Juist of een laxatief, hem nodig, was gezet".

Alles blijkt nog in orde te zijn gekomen, want uit een gedicht uit 1792 blijkt dat de Langeman toch de traditionele uitdeling van de erwtensoep heeft voorgezeten. Daarna sterft hij op de zolder van het rederijkerslokaal een langzame dood. Zijn wissen geraamte wordt er door de ratten afgeknaagd.

In 1810 ontstaat dan de Langeman in zijn huidige vorm. Melchior Tieleman inspireert zich op de Antwerpse reus Antigoon en ontwerpt een zittende, geharnaste ridder. Een rederijkersgedicht uit die dagen drukt de bewondering uit voor het nieuwe pronkstuk:

"Dit werktuig van ulie vernuftig uitgevonden
vind zijn weerga niet in heel de stad van Londen
nog in gansch Duitschland niet, nog in Vranckenreick
Zelfs in 't Chineesch reik vind men zo een geleik
Waar op men aan de mood'in zijn fatsoen kan maken
Geleik op een teid, en zonder stof of haken
Een fraien hoed, broek en rok, met laarzen wel gespoort
zonder dat naald of els door eenig gat doorboort".

In zijn gedaante van zittende ridder is de Langeman één van de bekendste beelden van Hasselt geworden. Hij is voor talloze beeldende kunstenaars van de meest uiteenlopende disciplines een dankbaar model.

De nieuwe Langeman verschijnt in 1829 bij de intrede van koning Willem I, maar tijdens de optocht slaat de wagen om en de Langeman raakt beschadigd. Voor de bijgelovigen een ongunstig voorteken voor de koning dat nog uitkwam ook. Een jaar later stelt de revolutie een einde aan het Hollands Bewind.

In 1831 is een gewonde reus (met een doek voor één oog) aanwezig bij een bezoek van Leopold I aan de stad. In 1842 wordt de reus hersteld en de rederijkers vieren dit heuglijke feit met "koolen en worsten, kalf en gezoute rundvleesch en een ton Diester bier". Nu begint voor de Langeman een drukke periode: in 1847 is hij present bij de inhuldiging van de spoorweg St.-Truiden-Hasselt en hij deelt bij die gelegenheid zelfs erwtensoep uit. In 1848 stapt de Langeman zelf op de trein en neemt samen met 23 rederijkers deel aan de reuzenstoet in Brussel, net als in 1890 en 1895. In 1856 schouwt hij het officieel bezoek van Leopold I en de koninklijke familie aan Hasselt. In 1863 blijkt dat de uitstappen slijtage hebben veroorzaakt, want de Roode Roos verzoekt de stad om de kosten voor de herstelling te helpen dragen. Het antwoord was vermoedelijk negatief, want tijdens de zevenjaarlijkse feesten van dat jaar wordt hij vervangen door Peerke Grauls, de reus van de Jonkmanskamer. Het geldgebrek voor de herstelling is waarschijnlijk niet de ware reden van het wegblijven van de Langeman op de zevenjaarlijkse feesten. Ook op de soepuitdeling van 1870, 1877 en 1884 is hij er niet bij. De ware reden is de grote politieke ruzie tussen katholieken en liberalen. De Roode Roos is een overtuigd liberale vereniging geworden en de aanwezigheid van henzelf of van hun reus ligt in het eigen kamp én bij de katholieken nogal moeilijk.

Enkele feiten die de tijdsgeest illustreren.

Op 21 juni 1881 besluit het bestuur van de Rethoricakamer in het vervolg niet meer deel te nemen aan de processies in de stad; deken Schoolmeesters had besloten de maatschappij niet meer uit te nodigen voor de processie van 19 juni omdat zij had deelgenomen aan de burgerlijke begafenis van August Wilsens.

Ter gelegenheid van de zevenjaarlijkse feesten van 1884 verschijnt in het liberale weekblad De Demer een dialoog tussen de Langeman en Hendrik. Hierin zegt de Langeman: "het oude gebruik van de erwtensoep gaat allengskens om zeep... Sedert dat de paters champagne drinken en vaandels voor de kiezing uitsteken, wordt aan die oude gewoonte niet meer gedacht en ik mag stillekens op mijn zolder blijven liggen. Tot zelfs mijn vrienden van Muziek en Rethorica zijn door de kababbelmans buiten de processie gestooten om het volk te doen geloven dat zij niet wilden meegaan".

Vanaf 1891 is de politieke ruzie bijgelegd en neemt de Langeman weer deel aan de feestelijkheden van het zevende jaar. Tijdens de Eerste Wereldoorlog duikt de Langeman onder in een loods. Hij wordt bewaakt door Duitse militairen die niet weten dat ze tezelfdertijd ook heelwat kostbare voorwerpen bewaken die verstopt zijn in de romp. Dat levert hem na de oorlog een erekruis op. Het optreden van de Langeman tijdens de zevenjaarlijkse feesten van 1926 haalt zelfs de internationale pers. De Brooklyn Daily Eagle uit New York schrijft: "He watched over his people even during the hard days of the Great War; Don Christopher is immortal!"

De volgende jaren zijn weer druk: we vinden de Langeman in 1927 in Brussel, in 1928 bij de Blijde Intrede van de Hertog en de Hertogin van Brabant, in 1930 bij het eeuwfeest van de Onafhankelijkheid en in 1933 bij de zevenjaarlijkse feesten. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog duikt hij onder en wordt in 1945 hiervoor gedecoreerd. Na herstelling met steun van de bevolking en van de stad, waarbij de kop van een draaimechanisme wordt voorzien, troont hij sinds 1947 weer om de zeven jaar, bij plechtige koninklijke bezoeken en bij grote verjaardagen van De Roode Roos, zoals het 450-jarig bestaan in 1951. Zo zal hij na 1996 de volgende keer verschijnen in 2000 bij de viering van het 500-jarig bestaan van de rederijkerskamer.

De legende van Don Christophe en de erwtensoep

Tot de folklore rond de zevenjaarlijkse feesten hoort het uitdelen van erwtensoep onder toezicht van de Langeman. Volgens een populair volksverhaal zou de soepuitdeling ontstaan zijn ter herinnering aan de milde schenkingen van een Spaanse edelman - Don Christophe - tijdens een hongersnood in de 17de eeuw. Historisch steunt dit verhaal nergens op.

De bijnaam Don Christophe voor de Hasseltse reus werd pas op het einde van de 18de eeuw gegeven. In 1779 vinden we hiervan de eerste vermelding in een rederijkersgedicht. Spaanse invloed is hierbij niet eens zeker, want ook andere Belgische reuzen dragen eigenaardige namen zoals Argayon in Nijvel, Saragos in Doornik en Turpijn in Nieuwpoort, zonder natuurlijk Antigoon in Antwerpen te vergeten. Ook de naam Goliath, van duidelijk bijbelse oorsprong, komt nog vaak voor. Niet alleen heette de oude reus van het Smedenambacht zo, ook in Wetteren en Ieper bestaan nog reuzen met die naam.

De traditie van soep- en voedseluitdelingen bestaat trouwens al veel langer dan de 17de eeuw. In 1508 bestemde de kapelmeester van de OLV-kapel een deel van het legaat van de vrouw van "Hendrick Dries, den cremer van Sonhoven om eenre soppen te geven op den dag der kerckwijdinghe deser capelle".

De uitdeling van soep wordt voor het eerst vermeld in 1714 bij de viering van het vierde eeuwfeest van de Broederschap. De aanwezigheid van de Langeman hierbij dateert van 1792. Allicht is het vrome verhaal dus aan het einde van de 18de eeuw ontstaan samen met de benaming Don Christophe. Niet onmogelijk is dat Melchior Tieleman zich in 1810 door deze naam liet inspireren om een geharnaste reus met een Spaans uitzicht te ontwerpen

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...