Sint-Quintinuskerk - Sint-Quintinuskathedraal - uit: Eindelijk een Kapittel in de Sint Quintinuskathedraal (1968)

Description

Het Pauselijk Dekreet van 31 mei 1967 betreffende de splitsing van het bisdom Luik en de oprichting van het bisdom Hasselt bevat o.m. volgende bepaling: "Om aan de kerk van Hasselt meer luister te geven en tot haar groter nut, heeft Zijne Heiligheid besloten dat er een Kapittel van Kanunniken zal worden opgericht...".

Volgens de "Katholieke Encyclopedie" is een kanunnik een wereldgeestelijke die deeluitmaakt van een kathedraal of collegiaal kapittel. Er zijn eveneens reguliere kanunniken of koorheren, dat zijn dan priesterleden van kloosterorde, die als "regel" tot de plechtige koordienst verplicht zijn. Een kapittel is dus een college van kanunniken verbonden aan een kathedraal of een andere voorname kerk.

Het doel hiervan was door de gemeenschappelijke en dagelijkse koordienst op een meer plechtige wijze de eredienst op te luisteren. De oprichting van een kapittel was en is zoals wij hoger zagen voorbehouden aan de Heilige Stoel.

Het is niet de eerste maal dat er sprake is van de oprichting van een kapittel in de St. Quintinuskerk. Reeds eeuwen geleden hebben onze voorouders getracht een kapittel binnen hun muren te krijgen.

Ten bewijze hiervan willen wij de aandachtige bezoeker van onze hoofdkerk wijzen op een eigenaardigheid wat betreft de bouw.

De vroeggotische korte middenbeuk uit de 14e eeuw is niet in verhouding tot het diepe koor in hooggotische stijl uit de 15e eeuw. De middenbeuk heeft een lengte van 22m.20, het koor meet 18m.17.

Het vroegere kleinere koor werd blijkbaar afgebroken om ruimte te bieden voor het plaatsen van een koorgestoelte. Op 20 juni 1406 werd er een akkoord afgesloten tussen de Stad Hasselt en de abdis van Herkenrode voor de oprichting van een nieuw koor. De abdij van Herkenrode was immers tiendehefster van Hasselt en moest daarom tussenkomen in de bouwonkosten van onze parochiekerk. Van de oprichting van een kapittel was er vooralsnog geen sprake.

In het jaar 1419 werd Jan van Heinsbergen, Prinsbisschop van Luik. Deze prinsbisschop was Hasselt zeer genegen. Hij bezocht onze stad meermaals wanneer hij vertoefde op de prinselijke residentie, het kasteel van Kuringen.

Dientengevolge werd de gedachte om van de St. Quintinuskerk een kapittelkerk te maken zeer aktueel. Men kon zodoende meer luister verbinden aan een prinselijk bezoek.

Er deed zich trouwens een gunstige gelegenheid voor. De kanunniken van Fosses, een stadje tussen Samber en Maas, zouden naar Hasselt komen. Verschillende Hasseltse geschiedschrijvers om te beginnen met Mantelius hebben over deze zaak geschreven. In onze tijd hebben ook C. Vanderstraeten en dr. M. Bussels aandacht besteed aan deze kwestie.

Wat was er in feite gebeurd.

Het stadje Fosses mocht zich sedert eeuwen verheugen in de aanwezigheid van een kapittel van kanunniken, samen met de kostbare relikwiekist van Sint Folianus. Fosses aan de grenzen van het Prinsbisdom had veel te lijden van het oorlogsgeweld. De vestingen waren in 1408 gesloopt. In 1429 werd het stadje nogmaals platgebrand. De relieken van St. Folianus werden dan telkens in veiligheid gebracht buiten Fosses.

Het is te begrijpen dat de kanunniken zich niet meer veilig voelden in het zwak verdedigde stadje.

Hasselt was daarentegen in die tijd een welvarende stad dank zij de bloeiende lakennijverheid. Zij was duchtig versterkt met indrukwekkende poorten, torens en muren.

Het bleek dat de kanunniken van Fosses zich volgaarne in onze stad zouden vestigen. Rond 1448 kreeg deze wens een vaste vorm. Het Magistraat van Hasselt, had immers met de welwillende steun van P.B. Jan van Heinsbergen, in Rome verkregen dat het kapittel van Fosses zich in Hasselt mocht vestigen.

In Hasselt was men natuurlijk opgetogen met dit heuglijke nieuws. Wat een eer voor onze Stad! Men sloeg dadelijk en overmoedig de handen aan het werk.

Mantelius schrijft wanneer hij het over deze aangelegenheid heeft het volgende: "en tot dien eynde heeft het magistraat van Hasselt het schoon gestoelt in den hooghen choor van Sint Quinten doen maken omdat de Canonikken daer in staen zouden".

Hier moeten wij echter opmerken dat het gestoelte dat thans nog staat in onze kerk dateert uit 1549, dus ongeveer honderd jaar later als dat er sprake was van de komst der kanunniken. [...]

Hasselt had dus kosten noch moeite gespaard. Alles scheen in orde. Met een belangrijke factor had men evenwel geen rekening gehouden. De burgers van Fosses zagen ongaarne hun kapittel vertrekken met de relieken van Sint Folianus. Zij zouden zich zelfs met geweld hiertegen verzet hebben. De steden Luik, Dinant en Thuin, deden ook hun duit in het zakje, om het vertrek van het kapittel te beletten.
Het gevolg hiervan was dat de kapittelheren niet meer durfden te vetrekken uit Fosses en uiteindelijk afzagen van hun voornemens om zich in Hasselt te vestigen.

Het schijnt evenwel dat toch reeds kanunniken in Hasselt zij het dan tijdelijk verbleven hebben.

In Hasselt viel dit besluit natuurlijk niet in goede aarde. De hooggespannen verwachtingen vielen in het water en daarenboven bleven er de hoge kosten van de gedane inspanningen.

Men heeft hierover geprocedeerd. Door tussenkomst van de domheren van Luik, heeft de "Officiaal" te Luik, dit was een soort kerkelijke rechtbank, vonnis geveld. De kanunniken van Fosses dienden een belangrijke schadevergoeding aan Hasselt te betalen.

Het vonnis bepaalde dat het geld diende gestort te worden in handen van de pastoor van Hasselt, die het moest gebruiken tot opluistering van de eredienst.

Pastoor Dirk van Zanten plaatste het geld op voordelige wijze en bij akte van 22 mei 1482 werd de jaarlijkse opbrengst hiervan of 72 rijnlandse gulden geschonken aan de Cantorij of Sengerije van de Sint Quintinuskerk.

Al was het dan aan Hasselt mislukt een echt kapittel te verkrijgen, het gestorte geld zou dan toch voor ongeveer eenzelfde doel gebruikt worden.

Deze cantorij of zangkoor bestond reeds vóór 1482, maar door deze schenking kon deze stichting aanzienlijk uitgebreid worden. Voortaan zou de cantorij bestaan uit negen personen, de pastoor of zijn plaatsvervanger en zeven andere priesters, vier koorknapen en een koster. Zij waren gehouden dagelijks de getijden, vespers, completen en metten te zingen in onze hoofdkerk, waarvoor zij dan een vastgestelde vergoeding ontvingen. Prinsbisschop Louis de Bourbon verleende zijn goedkeuring aan deze schenking op 15 juni 1482.

Later werd onze cantorij nog verschillende malen rijkelijk bedacht door andere erflaters.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...