Sint-Quintinuskerk - Sint-Quintinuskathedraal - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 324-329

Deze kerk vervangt de vroegere Sint-Quintinuskapel. Zeker is dat de primitieve kapel niet vóór 640, maar ook niet later dan in de 7de eeuw werd gebouwd. Alle sporen van de kapel of van de eerste kerk zijn thans verdwenen. Alleen het onderste gedeelte van de toren in ijzerzandsteen is een overblijfsel van de eerste kerktoren. Die toren was niet zoals thans in de kerk geïncorporeerd; hij leunde met zijn oostflank tegen het kerkgebouw aan.

Het oudste gedeelte van de toren, dat 7,70 m hoog is, is opgetrokken van blokken gehouwen ijzerzandsteen, die 0,4 m lang en 0,16 à 0,17 m breed zijn. Die zware toren was in verhouding met de oorspronkelijke kerk gebouwd, wat het vermoeden wettigt dat die vrij ruim moet zijn geweest. De eerste kerk diende niet alleen tot bedehuis van de parochie Hasselt met zijn gehuchten, maar ook voor de huidige parochies Kuringen, Kermt, Stevoort, Stokrooie en Bolderberg, waarvan de kerken later dan de moederkerk werden gebouwd.

Een tienhoekig torentje dat buiten tegen de torenvoet was aangebouwd en waarin een trap van dertig treden naar boven leidde, werd in 1864 afgebroken en vervangen door de nieuwbouw zoals die bij koninklijk besluit van 9 juni 1863 was toegestaan.

De kerk die gelijktijdig met de eerste toren werd gebouwd, verdween onder de puinhopen die onze streek aan het einde van de 12de eeuw ingevolge oorlogshandelingen tot tweemaal toe overdekten. Die periode was de meest rampzalige tijd voor het graafschap Loon. Zodra Hasselt – vóór 1211 – tot stad was verheven en daarna door vesten en versterkte torens was omgord, werd ongetwijfeld ook het nieuwe bedehuis gebouwd. Dat bouwwerk was opgetrokken van tuf of krijtachtige steen. Daarvan rest alleen nog het bovendeel van de toren, in een metselwerk van 1,30 m dikte en 14,50 m hoogte, boven de nog bestaande tronk van ijzerzandsteen opgericht.

De Hasseltse priesters van het einde der 18de eeuw beaamden dat de kerk zeer oud was. In de zitting van de municipale raad van 12 vendémaire jaar VI (3 oktober 1797) las de voorzitter een verklaring voor van de kerkbedienaars die de eed van 19 fructidor V en van 24 nivôse hadden afgelegd. Daarin verklaarden de beëdigde priesters dat zij voor de uitoefening van de eredienst de Sint-Quintinuskerk hadden gekozen, welke sedert meer dan negen eeuwen tot parochiekerk gediend heeft.

De toren werd in de tweede helft van de 16de eeuw bekroond met een spits van 40,60 m, ter vervanging van de eerste, die wellicht tijdens de verwoestingen van de beeldenstormerij in 1567 is verdwenen. De spits, die drie eeuwen jonger is dan de toren, vormt een piramide tot aan het uitstek. Aan de basis is hij vierkant en vervolgens achthoekig tot boven de verdieping, waarin de klokken van de beiaard hangen. De vier zijden van de spits zijn naar de vier windstreken gericht, net zoals de vier wijzerplaten van het uurwerk. Een buitengalerij met open hek omringt de spits en vormt meteen het voetstuk van het middendeel. Het piramidevormige uiteinde met de vier dakpraampjes wordt afgesloten door een koperen bol, met kruis en haan. Het bedevaartvaantje van de Hasselaar Nikolaas Sigers en de ets van de Luikenaar Remacle Leloup leren ons dat het onderstuk van de torenspits destijds met vier zijtorentjes was versierd. Bij de herstellingswerken na de orkaan van 13 mei 1725, toen de spits door de bliksem werd beschadigd, werden ze afgebroken. Bij de herstelling van 1863 ontdekte men verkoolde gedeelten, restanten van de brand van 1725. Van kop tot staart meet de toren 1,15 m. De torenbol heeft een omtrek van 3,50 m, een middellijn van 0,75 m en een hoogte van 0,85 m. De reusachtige wijzerplaten wegen elk 365 kg. De uurwijzers zijn 0,62 m lang en 8 cm breed. Gemeten tot aan het middenpunt van het kruis, is de toren 56 m. De toren, de beiaard en enkele klokken zijn de eigendom van de stad, die dan ook voor het onderhoud ervan instaat. Luidens een beraadslaging van de municipaliteit van Hasselt dd. 12 mei 1807 was de toren in dat jaar bouwvallig. De raad bestemde 3000 F voor de herstelling ervan; een jaar later waren de werken uitgevoerd.

De primitieve kerk van de 9de of 10de eeuw is vóór 1380 wederopgebouwd, zoals Mantelius voor het jaar 1378 relateert: Is Johan van Arckel biscop van Luyck en graef van Loon gestoreven. Hem is gevolght Arnout van Horen, ende in synen tydt, alsoo de parochiael kerck seer veroudert en vervalllen was, als die nu vierhondert jaer gestaen hadde ende wat metterhaest en slechtiens opgebauwen, beneffens dat se voor de groote gemeynte nu te cleyn geworden was, hebben het Magistraet ende gemeynte de coragie ghenomen om d'oude kerck af te werpen, ende een veel schoonder en grooter te maecken gelyxe hedensdaeghs is staende. En is om de groote costen vant werck soo haest niet konnen volmaeckt worden, maer allenghskens groyende is ten eynde geraeckt ende volmaeckt omtrent het jaer 1400 behalven de spil vanden thoren, die daer nae is opgestelt met den bijart.

Honderd jaar eerder was de kerk al groot en merkwaardig. Dat moge blijken uit een testament van Katharina Fabry, gedateerd 5 september 1318, waarin zeven altaren met beneficies werden begiftigd: h. Kruis, h. Geest, Moedermaagd, Maria-Magdalena, Joannes-Baptista, St.-Nikolaas en St.-Petrus-en-Paulus. In twee testamenten van Joannes, genaamd van Kerts, opgesteld op 31 maart 1339 en in 1374, is sprake van het altaar van Sinte-Barbara, wat dus op een achtste altaar wijst. Wat Mantelius over het bouwen van de grote kerk schrijft, heeft betrekking op de drie beuken en het koor. De kapellen zijn later gebouwd en ontnemen aan de kerk haar werkelijk uitzicht en verstoren de regelmatigheid van haar bouw. A. Schaepkens (nvdr: 1815-1899), kunstcriticus uit de vorige eeuw, vindt de constructie minder geslaagd: De kerk is gedeeltelijk gebouwd in transitie- en kruisbogenstijl der decadentie, die zich onder geen gunstig uitzicht voordoet; hare beuken zijn wel door brede vensters verlicht, maar de schoonheid der lijnen, de treffende evenredigheden ontbreken. [Uit: A. Schaepkens, in Messager des sciences historiques, afl. 3, Gent, 1860]

Van de nieuwe kerk, in Latijns kruis gebouwd en omstreeks 1400 voltooid, zijn de drie beuken en de kruisvleugel overgebleven. Het koor met de daaromheen liggende kapellen aan de zijde van de buitenbeuken werden later geconstrueerd. In de kruisbeuk werd aan de noord- en de zuidkant een deur aangebracht. Het schip heeft een lengte van 22,20 m. De middenbeuk is 9,40 m breed en door zes pilaren van 6,90 m hoogte van de zijbeuken gescheiden. Tussen het gewelf van het schip en de vloer ligt een ruimte van 15,50 m. De kruisbeuk is 27,65 m lang en 7,50 m breed; hij wordt verlicht door twee vensters van 7,10 m op 2,20 m boven beide portalen. Het zuiderportaal werd in 1755 op stadskosten geplaatst, het noorderportaal in 1806. De zijbeuken zijn 4,70 m breed. Aan de westzijden bevonden zich kerkdeuren uit de 14de eeuw, die aan het eind van de 18de eeuw door nieuwe portalen werden vervangen.

Tegen elke zijbeuk werden vijf kapellen gebouwd. In de meest zuidelijke werd de doopvont geplaatst, die oorspronkelijk uit zachte steen was gebeeldhouwd. Op 8 juni 1690 keurde prins-bisschop Jan-Lodewijk van Elderen de plaatsing van een nieuwe metalen doopvont goed. Vroeger waren de vontkapel en de andere kapellen door een columnarium afgesloten. Nu is alleen nog de doopkapel met een ijzeren hek afgescheiden; de andere zijkapellen hebben geen afsluiting meer. Iedere kapel is 4,20 m breed en 8,50 m hoog; de vensterlichten zijn nagenoeg van gelijke hoogte op een breedte van 2,40 à 2,90 m. De zijkapellen en koorkapellen werden aan het eind van de 15de eeuw of in het begin van de 16de eeuw toegevoegd, omdat de kerk zelf voor de groeiende stadsbevolking te klein was geworden. In 1838 werden vier kapellen van de zijbeuken afgeschaft. Dat gebeurde ingevolge het afbreken van de muren die aan beide kanten de eerste kapel scheidden van de tweede en de derde kapel van de vierde. Er bleven nog zes zijkapellen en vier koorkapellen over. Het aantal zijkapellen werd later tot vier herleid, zodat er thans nog negen kapellen zijn: Sint-Cornelis, Sinte-Barbara, de Onze-Lieve-Vrouwekapel aan de noorzijde; de doopvontkapel en de kapellen van Sinte-Anna, Sint-Sebastiaan en de Kruiskapel aan de zuidkant; de kapellen van Sinte-Brigitta en Sint-Antonius achter het hoogaltaar.

De plaveistenen van de kerkvloer werden in 1804 uit de voormalige abdij van Sint-Truiden overgebracht. Zij kostten 2468 gulden en vervingen de oude ruwe plaveien en grafstenen, die voor 850 gulden werden verkocht. Het marmeren plaveisel van het koor dagtekent van 1841.

Prins-bisschop Jan van Heinsberg bezocht de kerk in 1448, toen hij op doortocht was naar Kuringen. Hij was zo opgetogen over het gebouw, dat hij ze tot collegiale kerk (4) wilde verheffen. In overeenstemming met het stadsbestuur vroeg en verkreeg hij van de paus de toestemming om het kapittel der kanunniken van Sint-Folianus van Fosse (5) naar Hasselt over te plaatsen. De stad zou de kosten van de overbrenging dragen. De kanunniken traden dit voorstel gaarne bij, omdat zij zich te Fosse niet veilig voelden en omdat hun kerk en klooster slecht onderhouden waren. Ook waren hun kerkklokken in 1446, voor de tweede maal in 22 jaar, vernield geworden. Toen de stad alles in gereedheid had gebracht en zich grote kosten had getroost om het koor, dat reeds in 1406 was vergroot, te verbreden, verbraken de kanunniken onder druk van de inwoners van Fosse de overeenkomst. Ook de overheid van Luik, Dinant en Thuin verzette zich tegen de verplaatsing van het kapittel, omdat de kanunniken zich hadden voorgenomen het reliekschrijn van de heilige Folianus naar Hasselt over te brengen. De Hasseltse magistraat eiste een schadeloosstelling voor de gemaakte kosten. Na vier jaar betwistingen ontving de stad, door bemiddeling van het kapittel van de kathedraal van Luik, een zo grote schadeloosstelling, dat de interesten voldoende waren om pastoor Dierick van Xanten in de gelegenheid te stellen in 1482 het beneficie der Cantorie op te richten, die de parochieherder en zijn kapelaans verplichtte dagelijks het officie op het hoogkoor te zingen.

De 24 stoelen der kanunniken bleven behouden tot 1818. Waarschijnlijk zijn de tien klapstoelen die er thans staan niet in het midden van de 15de eeuw geplaatst, toen het koor werd vergroot, want boven het gebeeldhouwde ornament van een koorstoel aan de epistelkant staat het jaartal 1549. Het is niet bekend en in welk huis aan de Lombaardstraat de kanunniken van Fosse hebben verbleven. Volgend citaat uit het gichtregister 222, folio 101, bewijst hun tijdelijk verblijf te Hasselt: Anno LVI, VIe dage in de merte is comen voor ons Johan Vilters geheiten van Loebosch ende heet gegicht ende gegoet Jan Kersmekers Willems soene in achthiene scillinge swert erflix ende jairlix vallende tsinte Remeismesse aen thuys in ghene lombartstrate dat die jouffr. in den helme haldende is dair die canonicken nu tertijt in wonen regenote Clovis Dierix kinderen huys ter eenre syden ende thuysken dat Tielman Coex toehort neven Peter van Ghelliwick ter andren syden (6).

De poging om de kerk van Sint-Quintinus de titel 'collegiale' te verlenen werd twee eeuwen later herhaald. Jan-Renier de Geloes van Hasselt, heer van Herten, Rapertingen en Hommelen, schepen van Vliermaal deed nl. in 1676 het aanbod, de dotatie der prebenden van de Cantorie te vermeerderen en vier nieuwe prebenden te stichten. Dit evenwel op voorwaarde dat hij en zijn opvolgers het begevingsrecht der acht prebenden zouden krijgen, dat deze in plaatsen voor kanunniken zouden veranderd worden en dat de parochiekerk een 'collegiale' zou worden met een kapittel. Dit voorstel werd noch door de bisschop noch door de paus aanvaard; de redenen van die weigering zijn niet bekend. Omdat hij met zijn ontwerp mislukt was, stichtte schepen de Geloes rond 1686 een geestelijk officie, waarvan de titularis op het koor zou mogen zitten en de pastoor zou bijstaan in het bestuur van de parochie. Zijn voorbeeld werd nagevolgd door zijn naaste bloedverwante Elisabeth Moors, die bij testament van 31 oktober 1678 twee soortgelijke officies stichtte, goedgekeurd bij haar overlijden en ingericht op 26 juni 1688 en 12 januari 1689. Dergelijke officies werden op 24 juli 1724 ook gesticht door Aleidis Otten van Hasselt, begijn te Diest, en door Margaretha Bormans.

De bouwstijl van het koor verschilt van die van de zijbeuken en van de kruisbeuk, zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde, waardoor o.m. bewezen wordt dat het later is gebouwd. Het koor is 13,90 m lang en 8,55 m breed. De kapellen rond het koor zijn 8,50 m hoog. Tegen de muur van de Onze-Lieve-Vrouwekapel zijn stenen banken aangebracht; in de andere koorkapellen werden die banken weggenomen toen de vloer er met een trede werd verhoogd. De drie sacristieën – respectievelijk gelegen tussen de Kruiskapel en de kapel van Sint-Nikolaas (thans Sint-Antonius), tussen de Nikolaaskapel en deze van Sint-Jacob (nu Sinte-Brigitta) en tussen de kapel van Sint-Jacob en die van Onze-Lieve-Vrouw – hebben de vorm van een trapezium van 11 x 7 m en een breedte van 3,60 m. De middelste sacristie is evenwel zeshoekig. In de meest zuidelijke sacristie bevindt zich een waterput (7). De sacristie bij het Driekoningenkoor tegenover Het Reusken werd in maart 1680 vernieuwd. De Onze-Lieve-Vrouwekapel dateert uit de laatste tien jaren van de 15de eeuw; de huidige Sint-Servaas- of Kruiskapel werd in het financiële dienstjaar van de stad 1508-1509 aangelegd. Dat blijkt uit het register van bouwmeester Arnold Stercken: Her Mathys Boers toen hy den iersten steen vand capellen lacht, geschenckt II quaerten wyns. Deze edelmoedig priester, die ook in 1508 de eerste steen van de Cellebroederkerk legde, heeft de voltooiing en wijding van zijn kapel niet beleefd. Hij overleed te Maastricht tussen augustus 1510 en 11 februari 1511. Hij bracht een laatste bezoek aan Hasselt op de maandag na Sint-Pietersbanden (1 augustus) 1510: Bij Itke ind Valck gerekend vand selve tyde, op maendach na ad vincula Petry A° XVCX her Mathys Boers geschenct IIII kanne wyns. Op 24 januari 1511 keurde het kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht het testament van zijn kanunnik Boers goed, waardoor deze de kapel stichtte, begiftige en oprichtte. Op 11 februari 1511 keurde prins-bisschop Erard de la Marck (1506-1538) de stichting goed en gaf de toestemming om de kapel in te wijden. Die wijding vond, volgens een aantekening in het register van bouwmeester Reyner van Millen, plaats op 24 juni 1511: den wybisschop doen men Boers capelle wyde, geschenct VI quarten wyns. De arduinsteen in de muur bij de ingang van de Kruiskapel vermeldt het jaar anno XVC XI° mensis maij, d.w.z. 11 mei 1500 en niet mei 1511, zoals door velen verkeerd werd vertaald. De datum wijst op de dag van de stichting en geenszins op het leggen van de eerste steen of de voltooiing van het bouwwerk (8). De andere kapellen dateren van het einde van de 15de eeuw.

Op de maaslandse zuil van de kapel staat een opschrift dat in geschiedkundige tijdschriften tot allerhande pennetwisten aanleiding heeft gegeven.

Innocetius . papa . octavus

Dit . is . dij . capel . vade

Boers . gheslecht.

Gheslecht werd jarenlang gelezen als gesticht. Eindelijk werd uitgemaakt dat de juiste spellingsvorm gheslecht (= geslacht) was. De tekst moet derhalve gelezen worden als: Dit is de kapel van de familie Boers. De stichter, Mathias Boers, werd geboren in een burgersgezin als zoon van Sebastiaan Boers en van N. Vissers. Hij was verwant met burgemeester Claes Meldaerts en met pastoor Meldaerts. Een zekere Gerrit Boers was bakker en woonde in 1515 in De Gulde Clock aan de Demerstraat.

Behoudens de altaren van het koor en van de negen kapellen zijn nog twee kleine altaren tegen de schoormuren van het koor opgericht.

In de kerk staan in totaal 55 beelden en er hangen 32 doeken in olieverf, waaronder de voorstelling van Sint-Paulus (zuidmuur), in 1845 door Godfried Guffens geschilderd. In het koor staat een fraaie eikenhouten communiebank in renaissancestijl. Onderaan staan koperen zuiltjes, waarop men de namen van de 21 schenkers en het jaartal 1651 kan lezen. Boven het koorgestoelte bevond zich vroeger het doksaal dat nu ter omlijsting van de orgelkast dient. Het groot kruisbeeld stond eertijds op de balk (of leuning) van het doksaal voor het koor; thans hangt het sinds 1889 aan het kerkgewelf. De levensgrote beelden van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Jan die toen naast het kruis stonden, werden naar de Calvarieberg van het begijnhof overgebracht. Boven het kruis stonden de zon en de maan en aan de voet van het kruis knielden drie engelen om het bloed van de gekruisigde op te vangen. De laatste vijf afbeeldingen werden bij de verbouwing in het stadsmuseum opgeborgen. De koperen toegangsdeur tot de H. Sacramentskapel achter het koor hangt daar sedert 1890, toen de koperen afsluiting verdween, die het oude doksaal tussen koor en hoofdbeuk verving. In de H. Kruiskapel prijkt thans de merkwaardige koperen koorlezenaar, die op de lijst de aantekening anno domini dusent vuf hondert 36 draagt. Dit kunstwerk van dinanderie heeft in ons land zijns gelijke niet.

De monstrans, waarin sedert 1317 traditioneel de mirakuleuze hostie wordt uitgestald, is een kunstwerk van grote waarde. Zij is gedreven in verguld zilver, heeft een hoogte van 0,445 m en draagt volgend Latijns opschrift: Anno dni MCCLXXXVI fecit istud vas fieri dna Hellewigis de Dist priorissa i Herkerode cui' cmemoratio i ppetuu cum fidelibus habeatur (Vrouwe Heilewigus van Diest, priorin van Herkenrode, heeft dit vat doen vervaardigen in 't jaar O.H. 1286: moge haar gedachtenis in eeuwigheid door de gelovigen bewaard worden). Bij de tentoonstelling van kerkelijke voorwerpen te Mechelen in 1864 gaf de Gazette de Liège er in haar nummer van 27 september 1864 volgende beschrijving van: Onder de verschillende monstransen van alle aard is deze de schoonste en de oudste; het is een allerfraaist stuk in verguld zilver, staande op een zeskantig voetstuk; het filigraanwerk is transparant. De monstrans die op vier leeuwen rust is als een klein gebouw in gotische stijl vervaardigd. Het bovenstuk is een loofwerk, waaruit een kruisbeeld en twee takken steken, waarvan de ene het beeld van Onze-Lieve-Vrouw draagt en de andere dat van de H. Joannes.

In de Sint-Annakapel, waar vóór de biechtstoel tegen de muur aan de kant van de Vismarkt de grafsteen ligt van oud-burgemeester Vandedweye, bevindt zich het enige tafereel van de opdracht van Maria in de tempel, een werk van Artus Quellin de Jongere uit Sint-Truiden (1625-1700). Boven het altaar bemerkt men het blazoen van de Geloes van Elsrack, met een opschrift in een granietsteen van 1669.

De Sint-Corneliskapel langs de Fruitmarkt is de kapel van de vollers. In de noordwestelijke hoek van de kerk tegenover het huis Sint-Hubertus bevond zich vroeger de kapel van Sint-Severus, in 1473 door de lakenwevers opgericht. Het altaar in renaissancestijl van eerstgenoemde kapel is dat van de vroegere Sint-Corneliskapel aan de Maastrichtersteenweg, in 1676 naar de hoofdkerk overgebracht, samen met het altaarschilderij, een schenking van Joannes Sigers, advocaat en secretaris van de Leenzaal van Kuringen. Dit doek is een voorstelling van de h. Cornelis met de honderdman.

Tegen de binnenmuur boven de ingang van de Fruitmarkt hangt de Kalvarieberg van schilder Domien Lampson (1532-1599), geheimschrijver van het bisdom Luik. Hij leverde dit tafereel in 1576 voor 100 gulden brabants. Het sierde tot 1804 het hoogaltaar. (…)

Vóór het altaar van de Onze-Lieve-Vrouwekapel ligt de prachtige grafsteen van jonker Steven de Geloes. Deze steen lag tot 1889 onder de vloertegels. Oorspronkelijk moet hij in het koor hebben gelegen. De grafsteen van Maria de Geloes, dochter van Jan en echtgenote van Carolus de la Faille uit Antwerpen, die op 26 juli 1572 te Hasselt overleed, ligt in het Sint-Antoniuskoor langs de sacristie. Achter de koperen afsluitingsdeur van de Sacramentskapel staat een dubbel brandkast. Hierin wordt sedert 1804 het Sacrament van Mirakel bewaard. Een grafsteen met een onleesbaar geworden opschrift dient als dorpel van de sacristiedeur achter de Sacramentskapel. Dr. C. Bamps schrijft op bladzijde 43 van jaargang 1905 van L'Ancien Pays de Looz ten aanzien van de persoon Jan Baex: Wij hebben de grafsteen van deze pastoor in de Sint-Quintinuskerk gevonden, waar hij tot drempel van een sacristie dient. Doordat thans de letters en tekens van de steen niet meer te ontcijferen zijn, kunnen wij dit citaat bevestigen noch ontkennen. Omdat pastoor Baex niet in Hasselt overleed, zal het hier wellicht om de grafsteen van een ander gaan (12).

Het vroegere tabernakel van verzilverd koper staat sinds 1899 in de kerk van Diepenbeek. Godfried Guffens penseelde de veertien taferelen van de kruisweg, het doek van Sint-Paulus en de muurschilderingen van de vontkapel. Deze laatste dagtekenen van 1879 en overtreffen de andere in kunstwaarde. De preekstoel is van 1637. Op de vijf kanten staan de vier evangelisten met in hun midden Sint-Quintinus.

Het eerste klokkenspel, dat vermoedelijk maar uit een paar klokken bestond, werd in de volksmond den timp tamp geheten. (Dat zijn de twee tonen die met de toonhoogte van de uurklok een volledig tertsakkoord vormen). Dit spel werd rond 1530, toen het aantal klokken werd vermeerderd, vuerslach, voerslach of voorslag genoemd. De klokken van de voorslag, in de loop van de 16de eeuw in aantal vermeerderd, vormden reeds in de 17de eeuw de beiaard, die op het einde van die eeuw compleet was. In de oude geschriften vinden we de namen van de vijf stielmannen die zich met dat werk hebben beziggehouden: in 1528 maeckte Meuris Koelen eenen vuerslach om die ure te doen slaen, 70 Rg. 19 st. In 1531 leverde Jan Triere tot Aken eenen vuerslach van 12 schellen, 331 g. brab. Omstreeks 1550 moest Keyn Nuest messemeicker en smeet uit Die Gans der Kapelstraet het uergewerck der Lakenhalle regelen en zorgen voor den vuerslach, die door deze aanpassing voortaan ook het kwartier zou slaan. Luidens een overeenkomst van 1 oktober 1729, gesloten tussen de magistraat en Antoon Bernard van Neufchâteau in Lorreinen, werd voor 2600 gulden een beiaard met 32 klokken gegoten. De stad diende bovendien een aanzienlijke hoeveelheid metaal te schenken, afkomstig van het oude carillon en van diverse oude, gebarsten klokken. Op 13 mei 1725 was immers de bliksem op de toren ingeslagen; niet alleen de spits werd daardoor deerlijk gehavend, maar bovendien waren de meeste klokken van de beiaard gesmolten of door het vuur gebarsten. Dat deed zich in 1751 nogmaals voor, ditmaal zonder al te grote schade aan de klokken. Tijdens de herstellingswerken aan de toren werden die in de stadsschuur aan de Isabellastraat geborgen. De laatste herstelling en verbetering van de beiaard in 1752, door de vermaarde Klokkengieter Andreas Van den Gheyn, vergde een uitgave van 1200 gulden. Sedertdien telt de beiaard 42 klokken, waardoor hij tot de zeven belangrijkste klokkenspelen van ons land mag gerekend worden (13).  In datzelfde jaar plaatsten Gilles de Beefve (nvdr: Gilles Debeefe, Gilles De Beefe) en zoon, horlogemakers te Luik, de koperen trommel op de toren, waardoor het uurwerk met het klokkenspel werd verbonden.

Met de vernieuwingswerken aan het orgel begon in 1703 Jan Posselius uit Hildesheim. Zij werden in 1711 door Christiaan Penselaer uit Leuven voltooid. De eiken kast, met twee arenden en muziektrofeeën, is een gezamenlijk werk van beeldhouwer Andreas Beckers en meester-schrijnwerker Antoon Bertrand, beiden Hasselaren. Tegenover de preekstoel staat de beeldengroep van de Heilige Familie, een werk van F. Vermeylen uit 1680.

Op 21 december 1797 deed de republikeinsgezinde municipaliteit van Hasselt de meeste blazoenen of wapenschilden uit de kerk verwijderen. Reeds op 3 september was de kerk voor het publiek gesloten en waren de deuren verzegeld. Op 15 oktober werd ze weer geopend en droeg de beëdigde priester Nikolaas Vossius er de diensten op, die door de katholieke Hasselaren niet werden bijgewoond. Op 12 september 1798 werden het zilver, de luchters en de lampen naar Maastricht gevoerd, om er verkocht te worden. Het zilverwerk woog 156 pond en 14 ons. (…)


(4) Een 'collegiale' is een kerk bediend door een kapittel van kanunniken, evenwel zonder dat ze aan een bisschopszetel is verbonden. Behalve de kathedraal en zeven collegiale kerken te Luik waren er in het bisdom, dat 1500 parochies telde, nog 13 gemeenten met een collegiale kerk. Daartoe behoorden: Kortessem, Borgloon, Maaseik, Tongeren, Sint-Truiden en de twee kapittels van adellijke kanunnikessen Munsterbilzen en Thorn.

(5) Fosse in het Land van Lomme (provincie Namen) behoorde toe aan het prinsbisdom Luik. Het was de beroemde bisschop Notger die het kerkdorp in 974 tot stad verhief (Fosses-la-Ville). Het vroegere klooster voor zusters, door de heilige Pholien rond 638 gebouwd, werd in het laatste kwart van de 10de eeuw veranderd in een kapittel van 32 kanunniken. Deze kanunniken begonnen in 1246 voor het eerst op verzoek van de Luikse bisschop Robert het feest van het h. Sacrament te vieren. Op dat ogenblik was dat feest nog niet door de Kerk ingesteld. (Délices des Pays-Bas, 1769, dl. 4, p. 182). Over Fosse en zijn kanunniken zegt Henri Joly, lid van het Institut te Parijs, in zijn werk La Belgique criminelle, p. 306: Het kanton Fosses stond nimmer in aanzien om het godsdienstig karakter zijner bewoners. Is 't omdat het eertijds een kapittel kende welker kanunniken niet  voorbeeldig waren en die vooral met de burgers in gestadige oneenigheid leefden? Hasselt hoeft het echt niet te betreuren dat de besprekingen m.b.t. de vestiging van deze kanunniken in onze stad zijn afgesprongen.

(6) Johan Vilters was de broer van Katharina, moeder van Steven de Geloes uit het Gravenhuys. 'Loebosch' is een andere schrijfwijze voor Loobosch, een herenhuis gelegen te Zelem, ten noorden van de spoorweg Hasselt-Diest. Het bedoelde huis aan de Lombaardstraat was de eigendom van jouffr. in den helme, m.n. Mariën van Sombreff, waardin van Den Helm, in 1460 gehuwd met Mathijs Crants, eigenaar van de hofstede De Crans en van de Crantsschuer aan de Kapelstraat.

(7) Het water van deze put is niet drinkbaar. De put ligt bovendien op een viertal meter van de drassige Hellebeek en even ver van een moerassige plek naast de buitenmuur van de Kruiskapel. Op die plaats is de kerkmuur trouwens verzakt.

(8) De volledige tekst van het zesregelig opschrift luidt:

Hanc . capella . ad . honoe . sci . Servatii . cum.

Missa . qotidie . celebrada . perpetuo . Dnus . Mathias.

 Boers . hic . ortus . quonda . apud . Innocentiu.

papam  VIII . plurimum . valens . in . utoque.

Traiecto . canonicus . fundavit . edificari.

Fecit . ac . dotavit . Anno XVc XI° mesis . maij.

Achter het slotwoord maij staat een bloemkroontje bij wijze van zinsluiting. Achter het werkwoord edificari heeft de beeldhouwer een boor gebeiteld, destijds als boer(s) gespeld, ongetwijfeld een woordspeling op de naam van de schenker.

(12) Jan Baex, geboren in het Land van Gulik, stierf niet te Hasselt, maar te Caster in het bisdom Keulen.

(13) In het familieregister van Jacob Stellingwerff dat in het Rijksarchief te Hasselt berust, staat volgende bijzonderheid over de beiaard opgetekend: Den 11 dec. 1752 om half ses savonts heeft den nieuwen voorslag voor den eersten keer gespeelt en het airke van de ure is geweest en is die alsoe geheiten Bergerie, van die half ure is een stuckske van denselven meester geheeten La Vendangeuse.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...