Spalbeek / Heerlijkheid - uit: Kermt & Spalbeek / Warm aanbevolen (2006)

Description

p. 29 e.v.

DE HEERLIJKHEDEN KERMT EN SPALBEEK

pp. 36-41

Tijdens het Ancien Régime was Spalbeek een Loons goed dat vanaf 1366 onder de voogdij van de (prins-)bisschoppen van Luik gesteld werd in hun hoedanigheid van graaf van Loon. De toewijzing van een heerlijkheid in de middeleeuwen en in de moderne tijd was een geplogenheid die haar oorsprong vond in het leenstelsel. Binnen het land van Loon traden de graven en nadien de bisschoppen van Luik op als leenheer. In hun hoedanigheid van leenheer wezen zij bepaalde delen van hun territorium toe aan vertegenwoordigers die de heerlijkheid bestuurden in hun naam. Zodoende hadden zij ter plaatse een vertrouwenspersoon op wiens hulp ze zo nodig beroep konden doen en verzekerden zij zich het toezicht op de goede gang van zaken. Het voorrecht dat aan deze heer werd toegestaan was meestal erfelijk. Dergelijke transactie werd telkenmale bekrachtigd door een leenverheffing voor de Leenzaal van Kuringen. Deze verheffingen tonen aan dat de heren van Spalbeek behoorden tot de adellijke families en de hogere geestelijkheid van het prinsbisdom.

De heerlijkheid die in leen gegeven werd omvatte het toezicht op de justitie in de regio, het recht om boete te heffen en cijnzen te innen, het molenrecht, het recht om tol te heffen op wegen en waterlopen enzomeer.
De heer vertegenwoordigde ad locum de wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht.

Ambtenaren die door hem werden aangesteld legden voor de schepenbank de eed van getrouwheid af. Als landheer garandeerde hij de uitvoering van de rechtsspraak. Daartoe stelde hij schepenen aan die als rechter in de schepenbank zetelden. De schepenbank stond in voor de rechtsspraak over inwoners en goederen binnen de heerlijkheid en registreerde nauwgezet de namen van de bezitters van landerijen en gebouwen die in de heerlijkheid waren gelegen.

De schout was de voorzitter van de schepenbank. Hij zag toe op de naleving van wetten en gebruiken. Overtreders van plaatselijke reglementen werden door hem vervolgd. De heer moest er ook voor zorgen dat verdachten van misdrijven voor de schepenbank werden gebracht. Hij kon dat zelf doen of hiervoor een drossaard aanstellen.

Schepenen waren enkel bevoegd binnen het territorium van de gemeente. De schepenbank bestond uit zeven leden. Voor een geldig vonnis was de aanwezigheid van vier onder hen vereist. In principe moesten schepenen inwoners van de gemeente zijn. In de praktijk stelde de heer ook rechtsgeleerden die niet in de heerlijkheid woonden aan tot schepen. Op die manier werd getracht de kwaliteit van de rechtsbedeling te verbeteren. Hun zittingen die meestal om de veertien dagen plaats vonden werden naar oud gebruik genachten geheten. Voor dringende gevallen werden extra-ordinaire genachten gehouden.

De schepenen waren bevoegd zowel in strafzaken als in burgerlijke materies. Moord, fysieke letsels, diefstal, brandstichting en verkrachting ressorteerden onder de criminele rechtsspraak. In criminele gedingen gingen de plaatselijke schepenen eerst te rade (= lering vragen) bij het hof van Vliermaal alvorens vonnis te vellen. Onenigheid inzake verkopen, delingen, testamenten en overdrachten van goederen vielen onder de burgerlijke rechtsspraak.

Wederzijdse overeenkomsten tussen de dorpelingen bij verkopen, pachten, erflatenschappen, testamenten, huwelijksvoorwaarden en voogdijtoewijzingen werden op de schepenbank geregistreerd in de gichten.
Tegen een vonnis in burgerlijke zaken kon in beroep gegaan worden bij de schepenbank van Vliermaal.

Aan de schepenbank was een secretaris verbonden die de verslagen van de vergadering optekende, het archief van de gemeente bijhield, in voorkomend geval afschriften afleverde en de financies van de schepenbank beheerde. Verslagen en vonnissen werden geboekstaafd in de rolregisters en in de gichtregisters werden akten van verkoop, aankoop, schenkingen, pachten en renten opgetekend.

Administratief was de gemeente Spalbeek opgedeeld in twee gehuchten of kwartieren: de Jodenstraat en de Molenkant. Aan het hoofd van ieder kwartier stonden twee burgemeesters, ook dorpsmeesters genoemd. Zij werden door de inwoners gekozen en bleven een jaar in functie. Hun belangrijkste taak bestond erin de gemeentebelasting te innen en met dat geld de lasten van de gemeente te betalen.

Dankzij de registers van de leenverheffingen die bekrachtigd werden voor de Leenzaal van Kuringen kunnen de namen van de oudste heren van Spalbeek teruggevonden worden.

Op 25 februari 1367 onder het bestuur van de Luikse prins-bisschop Jan van Arckel, deed ridder Theodorus van Bilreveldt in Kuringen een leenverheffing van de hoge justitie van zijn villa in Spalbeek. Deze informatie leert dat de oudst gekende heer van Spalbeek stamde uit het geslacht Binderveld.

De heerlijkheid Binderveld, gelegen tussen Herk-de-Stad en Sint-Truiden, was een leen van de graven van Loon, dat in de dertiende en veertiende eeuw toegewezen was aan de heren van Montenaken.

Nadien kwam Spalbeek onder het beheer van een dame. Op 27 april 1386 releveerde vrouwe Aleidis van Binsvelt (mogelijk was Aleidis de dochter van de hogergenoemde Theodorus) met haar momber de hoge heerlijkheid van Spalbeek in aanwezigheid van enkele getuigen.

Jan van Mere werd in 1443 in het bezit gesteld van de heerlijkheid op het bisschoppelijk paleis van Jan van Heinsberg in het bijzijn van de vereiste getuigen.

Jan van Mere was eerst schout in Montenaken. Hij werd bij testament van zijn voorganger Rogier van Petershem voorgedragen als nieuwe heer tot “die hoege ind ledige herlicheyt, dorppe ind renten van Spalbeek mit honnen toebehoirten”.

Een jaar later kwam de functie opnieuw vacant. Op 6 oktober 1444 ontving Johan de Merode op “die genachten tot leeringen die herlicheyt ind dat dorppe van Spalbeecke”. Hij was een achterneef van Rogier van Petershem.

Jan van Boxmeer die gehuwd was met Margaretha releveerde op 15 juni 1447 voor de Leenzaal van Kuringen de helft van de heerlijkheid Spalbeek met aanhorigheden door toewijzing van de baljuw van Sint-Truiden Jacob van Morialmes.

Na de dood van Jan van Boxmeer werd zijn dochter Margaretha op 4 oktober 1479 in het bezit gesteld van de helft van de heerlijkheid. Omdat zij blijkbaar nog niet meerderjarig (25 jaar) was trad haar momber (voogd) op in haar plaats.

Alleszins was de heerlijkheid in de periode dat Erard van der Marck bisschop was (1506-1538) in het bezit van graaf Willem van den Berghe.

Na de dood van deze laatste verheft Goris Smits, schout van Spalbeek, voor Philips graaf van Vernenborgh, man van Anna van Egmont, op 3 september 1515 de heerlijkheid Spalbeek.

Nadat Anna van Egmont overleden was op 21 december 1517 werd de heerlijkheid verheven op naam van de minderjarige graaf Oostwald van den Berghe.

Bij afwezigheid van de graaf legt Merten Gooyvaerts op 27 juni 1528 in zijn naam de eed af. De graaf verbindt er zich toe zelf de eed af te leggen zodra hij in het land komt.

Lambrecht Sloets verheft op 19 februari 1585 voor Frederik van den Berghe, na de dood van diens zus, de heerlijkheid Spalbeek met “allen hoeren aenhanck ende toebehoerten, hoech, middel ende leghe, alsoe die selve in naeten ende droeghe, met landen, bosschen, bempden, voer ons als grave van Loen sorterende is”.

Graaf Frederik van den Berghe werd ervan in reële possessie gesteld op 25 september 1585. Anno 1609 staat er een verheffing genotuleerd op naam van graaf Hendrick van den Berghe.

In die tijd toen er geen kadaster bestond, kwamen vaak betwistingen voor inzake de grensbepalingen van eigendommen. Zo werden op 31 december 1619 voor de schepenbank van Spalbeek de “reenen ende palen der heerlicheyt Spalbeeck vernieut bij Frans Rubens, Willem van der Locht, Jan Vos en Jan Winters, schepenen der heerlicheyt voors”.

Vrouw Elisabeth, prinses van Hooghsolre en gravin van Berge, laat Spalbeek verheffen in 1639. Voor het jaar 1639 staat een opdracht geakteerd ten behoeve van de heer Louis François de Mirbach.

Op 4 september 1687 verkoopt Louis de Rossius, heer van Liboy, aan Jacques de Rampenne, schepen van Hoei, een jaarlijkse rente van 267 gulden op de heerlijkheid.

Op 3 januari 1705 verheft Nicolas de Horion, rentmeester van de Heilige Geesttafel in het graafschap Loon, namens Isabella de Rossius de Liboy voor haar en haar broers “de heerlijkheid Spalbeek met de hoge, lage en middele jurisdictie, cijnzen en voorts wat van de Leenzaal afhangt”.

Guilliam van Horion, secretaris van de stad Herk, verheft op 4 februari 1719 na de dood van zijn vader Nicolas, namens Isabella Rossius de Liboy, de heerlijkheid Spalbeek en de winning van Binderveld (ook geheten het Hof van Aalst) te Stevoort.

Joannes Arnoldus de la Court, drossaard van Kermt en secretaris van Spalbeek, verheft op 2 maart 1736 namens Joannes Franciscus Joseph de Moreycken, deken van het kapittel van Sint-Pieter en erfgenaam van Charles Frans Rossius de Liboy kanunnik van de domkerk in Luik, het hof Binderveld in Stevoort.

Datzelfde jaar vond er in de gemeente een jaargeding (25-10-1736) plaats, waarbij Willem Jans en Jan Coninx tot dorpsmeesters van Spalbeek werden gekozen en Peeter van Oppem en Dirick Bollers voor het kwartier van de Jodenstraat.

In handen van de drossaard Hennet legden zij de eed af “van dese gemeyntens op hen besten te regheren en van alle schaede voor soo veele hun mogelyck te behoeden”.

Op 12 december 1736 verheft Guilliam Charles de Rossius d’Humin Charier, als naaste verwant van Charles François de Rossius de Liboy, de heerlijkheid Spalbeek en het hof van Aalst of van Binderveld. Deze verheffing vond plaats in aanwezigheid van ridder Thomas de Liboy, deken van Saint-Denis in Luik en heer van Humin; van ridder Octaaf de Rossius, kapitein van het regiment de la Marck; van Ernestine de Rossius d’Humin en van Sibille en Isabelle de Bex.

Toen de schout Pelenders zijn ontslag aanbood aan de heer van Spalbeek werd de secretaris van de schepenbank Hendrik van Muysen op 3 februari 1744 tot zijn opvolger aangesteld. Deze legde de eed af voor Charles Ignace Thonnon en voor kanunnik Herman de Stockhem op 21 maart 1744. Op 20 mei 1744 erkent de Hasseltse schepen Jordanus van Elsrack namens Herman de Stockem, kanunnik van Sint-Lambertus, de nieuwe heer en verheft hij Spalbeek.

Op het jaargeding van 22 oktober 1744 werden in aanwezigheid van Hubert de Bussy, heer van Roye, die optrad in de hoedanigheid van admodiateur (plaatsvervangend heer) van de heerlijkheid, tot burgemeesters gekozen: Leonardt Palmans en Gerard Drooghmans voor Spalbeek; Renier vander Heyden en Crijn Vandebeeck voor de Jodenstraat. Zij legden allen de eed van getrouwheid af.

Ook voor de volgende jaren zijn de namen van de burgemeesters opgetekend in de gichten van de schepenbank: vanaf 21 oktober 1745 waren Lambert Iven en Cornelis Grieten burgemeesters in Spalbeek en Nicolaes Thijssen en Peeter van Oppem in de Jodenstraat; vanaf 31 december 1746 Jan Haesen en Jan Sp. in Spalbeek, Gielis Haesevoets en Nicolaes Fourier in de Jodenstraat.

De admodiateur trad ook op bij de aanstelling van nieuwe schepenen. Zo stelde Hubert de Bussy de Roye op 30 december 1747 Wauter Gheysens en op 27 juni 1748 Pierre Hubert Vaes tot nieuwe schepenen aan.

Op 12 juli 1749 worden barones douarière de Stockem van Kermt en haar zoon Joannes Herman de Stockem voor 6/15 delen in het bezit gesteld van de heerlijkheid Spalbeek.

Petrus Borghs, secretaris van Kermt en Spalbeek, verheft voor de Leenzaal van Kuringen, in naam van Lambertus Franciscus de Stockem, officiaal (bisschoppelijk rechter) van het kapittel, op 5 juli 1757 na de dood van zijn broer de kanunnik Joannes Herman de Stockem, heer van Stevoort en Spalbeek, “de heerelijckheijdt van Spalbeeck met hooghe, middele ende laeghe jurisdictie met landen, bosschen ende alles wat daer toe gehoort ende in desen edelen leensael leenroerigh is”.

Dezelfde Petrus Borghs, schepen en secretaris van Kermt, erkent op 4 januari 1789 prins-bisschop Hoensbroek als heer namens kanunnik baron Lambertus Franciscus de Stockem.

De verheffing van het leen op zijn naam was al gebeurd op 5 juli 1757 voor Jan Theodoor van Beieren

Recent toegevoegd

Prinsbisdom Luik, 1659

Gebrandschilderd glas. Hasselt, Het Stadsmus, inv. nrs. 2014.0370 tot en met 2014.0377.

Maria-Helena Hubrechts was de zus van E.H. Jozef Hubrechts . Ze overleed samen met hem in de nacht van...
Eerwaarde Heer Jozef Hubrechts was pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek. Hij overleed samen met zijn...
Van 2014 tot eind 2018 was Steven Vandeput minister van Defensie en Ambtenarenzaken in de federale...
Emiel Baptist werd geboren in 1895 in Godsheide als zoon van dienstknecht Andreas (Zonhoven 1847-Hasselt...
Auteur: Marc Jacobs Zie tekstpagina voor de uitgebreide beschrijving. Louis Berten werd geboren op 30...
1795-1824 : Etienne-François de Stenbier 1825-1867 : Charles-Philippe de Cecil 1868-1869 : Conrardus...
1830-1836 : Vandenborn, Hubert 1836-1864 : Stas, Paul 1865-1877 : Berden, Guillaume 1878-1884 : de Grady...
1830-1861 Gaspard Vandereijcken (Schulen 1798-?), brouwer-eigenaar 1861-1866 Pierre Jean Adons (Stevoort...
In 2013 werd beslist om de stads- en OCMW-diensten samen te gaan huisvesten in een nieuw...