Thonissen Jan Jozef - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 138-140

Die Gulde Waeghe

(...)

Het huis verdient een bijzondere vermelding als geboortehuis van de hoogleraar en minister Joseph Thonissen. Weinigen kennen zulk een welgevulde en rijke loopbaan als deze staatsman. Bedeeld met een uitzonderlijk geheugen, klare en levendige geest, een onuitputtelijke werkkracht, even ervaren in het spreken als in het schrijven, wiest hij gedurende een kwart eeuw de ambten van hoogleraar in het recht, volksvertegenwoordiger en academielid te verenigen. Hij doceerde met zulk een ingesloten natuurlijkheid, zegt T.-J. Lamy (Annuaire de l'Académie, 1892, p. 378), dat zijn studenten bij het aanhoren van zijn uiteenzettingen niet konden opmerken dat hun professor zopas het opstellen van een lange academische studie onderbroken had of diezelfde dag nog een opgemerkte redevoering zou houden in het parlement voor de verdediging van onze grondwettelijke vrijheden of de vrijwaring van onze onafhankelijkheid. In zijn dagelijkse omgang was hij de eenvoud in persoon. De inhoud van zijn gesprekken was boeiend, aantrekkelijk en afgewisseld met verhaaltjes en anekdoten. Als hij de eerste herfstdagen 's avonds in de gelagkamer van het Casino rustig in een hoekje bij de schouw zat, wist hij zijn tafelgenoten en vrienden urenlang te onderhouden over zijn jeugdjaren, waarbij hij fratsen en kattekwaad uit zijn schooltijd oprakelde. Zijn activiteiten te Leuven of te Brussel werden slechts onderbroken om tijdens het zomerreces enkele weken te Hasselt door te brengen bij zijn oude moeder, die 94 jaar in Den Haen (en later in De Gulde Waeghe) woonde. Later bracht hij zijn vakanties door bij zijn welbespraakte zwager, advocaat Jules Nagels, die in Het Paleys aan de Maagdendries woonde. Door alle wisselvalligheden van het leven heen bleef hij trouw aan de principes die hem thuis waren bijgebracht: een godsdienstige overtuiging, liefde voor zijn land en rechtgeaardheid. Thonissen was eerder klein van gestalte, bedeeld met een tere gezondheid, toegankelijk en minzaam in de omgang, uiterst gevoelig en prikkelbaar tegenover zijn omgeving. Zijn voorkomen makte indruk, vooral door twee zware wenkbrauwen onder een weelderige, sneeuwwitte haardos.

Jan-Jozef Thonissen werd op 10 januari 1816 (12) te Hasselt geboren als zoon van de horlogemaker Pieter-Mathijs, 30 jaar, en Anne-Marie Ponet, 22 jaar. Als knaap verloor hij zijn vader, een kundig vakman, die tijdens zijn vrije uren genoegen vond in het dichten van Vlaamse liederen, die bij zijn stadsgenoten zeer in de smaak vielen. Jan-Jozef begon zijn humaniorastudie aan het stedelijk college en voltooide ze in het vermaarde seminarie van 's-Hertogenrade. Later volgde hij lessen aan de universiteit van Luik, waar hij in 1838 het diploma van doctor in de rechten behaalde. Vervolgens ging hij te Parijs bij de beroemde advocaat Teste zijn opleiding vervolmaken. Na een verblijf van twee jaar in de Franse hoofdstad - waar een rijke kruidenier hem een huwelijk met zijn dochter voorstelde, een anekdote waarover Thonissen later met de nodige humor sprak - kwam de jonge advocaat zich bij zijn moeder aan de Nieuwstraat vestigen. Talrijke cliënten kenden weldra het adres van de bekwame rechtsgeleerde en pleiter uit De Gulde Waeghe. In 1842 huwde hij met Louisa Nagels, die hem een leven vol huiselijkheid en liefdevolle genegenheid schonk. Hun huwelijk bleef evenwel kinderloos. Op 1 januari 1846 werd hij lid van het liefdadigheidsbureau en van de godshuizen. Drie dagen later werd hij aangesteld als substituut-procureur bij het gerechtshof van eerste aanleg in zijn geboortestad. Op 5 november van datzelfde jaar verwisselde hij dat ambt tegen dat van arrondissementscommissaris te Hasselt, een functie die hij slechts gedurende tien maanden bekleedde. De algemene verkiezingen van 1847 brachten het eerste partijministerie aan het bewind. Deze regering ontzette binnen enkele maanden om louter politieke redenen drie gouverneurs en elf arrondissementscommissarissen uit hun ambt. Thonissen was verbijsterd dat hij niet werd ingelicht en zijn ontslag in het Staatsblad van 3 september 1847 moest lezen. Andere hoge ambtenaren werden om dezelfde redenen en in vergelijkbare omstandigheden overgeplaatst, zo schrijft Thonissen zelf in zijn verdienstelijke geschiedenis La Belgique sous le règne de Léopold Ier.

Deze brutale en geheel onverwachte ontzetting uit zijn ambt deed Thonissen opteren voor een loopbaan waarin hij de volle maat van zijn geleerdheid en rechtskennis kon doen schitteren. Hij nam zijn beroep van advocaat weer op en werd bij de verkiezingen van 1848 praktisch met eenparigheid van stemmen tot gemeenteraadslid gekozen, een eerste klinkend antwoord van zijn medeburgers op het afzettingsbesluit van 1847. Datzelfde jaar werd hij ook tot provincieraadlid voor het kanton Beringen gekozen.

Tijdens zijn vrije uren bespeelde de jeugdige advocaat de dichtersnaar. Voor Les Annales littéraires van Luik, La Revue catholique en Mémoires de la Société littéraire de Louvain schreef hij menig vers dat getuigt van zijn taalkennis en zijn poëtische kunstzin. Samen met zijn vriend advocaat Bellefroid stichtte hij Le Journal du Limbourg, het best gestelde weekblad van ons land. In 1846 verscheen zijn hooggewaardeerde Constitution annotée. Datzelfde jaar verscheen eveneens het eerste deel van Complément du Code pénal. In 1849 publiceerde hij een levensbeschrijving van Pieter Tittelmans, in 1852 die van Frans Tittelmans. Daarop volgde in 1853 Hollandse Inval. De opsomming van al zijn studies, 80 in getal, en van zijn 24 grote redevoeringen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zou in het bestek van dit boek teveel plaats innemen. Het moge voldoende zijn te verwijzen naar de Annuaire de l'Académie Royale, waarin de bibliografie van zijn literaire en politieke geschriften veertien bladzijden beslaat.

Monseigneur de Ram, rector van de Leuvense Alma Mater, benoemde Thonissen voor de leerstoel van strafrecht, die in november 1848 voor het eerst werd bezet. Ook de Koninklijke Academie nam de eminente geschiedschrijver en criminalist in haar midden op: op 7 mei 1855 werd hij corresponderend lid van de klasse letterkunde en op 9 mei 1864 werd hij benoemd tot werkend lid. Sedert 1852 was hij bovendien lid van de Letterkundige en Wetenschappelijke Maatschappij van Limburg. In het jaarboek van deze kring liet hij de levensschetsen van Frans Tittelmans, Jaak Crahay en Jan-Hendrik Oyen verschijnen, naast onuitgegeven oorkonden over de Tiendaagse Veldtocht van 1831. In 1855 werd hij lid van de Academie van Oudheidkunde. De koning verleende hem het jaar daarna het ridderschap in de Leopoldsorde. Thonissen verwierf achtereenvolgens alle onderscheidingen: officier in 1870, commandeur in 1874, grootofficier in 1882 en het grootlint in 1890. Daarbij kunnen een half dozijn eretekens van andere landen worden gevoegd.

Naast al dat geesteswerk en al die materiële beslommeringen bleef de zorg voor de vorming van zijn studenten centraal staan; nauwgezet verzorgde hij zijn cursus. Klaar en volgens een doordachte methode wist hij de aandacht van zijn toehoorders levendig te houden. Een feestcomité van studenten en oud-studenten, opgericht onder het erevoorzitterschap van baron d'Anethon en het voorzitterschap van de Luikse hoogleraar Nypels, bood hem op 22 juni 1880 te Leuven zijn marmeren borstbeeld ten geschenke aan, een creatie van de befaamde beeldhouwer Fraikin (13). Een afvaardiging van de Hasseltse gemeenteraad was op deze buitengewone plechtigheid aanwezig. Beurtelings werd de gevierde hulde gebracht door voorzitter Nypels, de student Vollen, uit naam van zijn medestudenten, burgemeester Stellingwerff, namens de stad Hasselt (14), en Veltkamp, uit naam van de Limburgse hoogstudenten. Thonissen vond voor elk van de sprekers een passend wederwoord.

Weldra drong de vermaardheid van de jurist, de letterkundige en de historicus door tot in het buitenland. Hij werd lid van de Academie van de Morele en Staatkundige Wetenschappen van Madrid, van de Academie van Rechtswetenschappen van dezelfde stad, van de Algemene Maatschappij van de Franse Gevangenissen en van de Maatschappij ter bevordering van het Gevangeniswezen in Spanje. Eindelijk viel hem op 19 maart 1887 de uitzonderlijke eer te beurt lid te worden van het Institut de France, waarvan de voorzitter Ancoc getuigde: ‘Thonissen wordt door alle voormannen van het strafrecht in Europa als een meester beschouwd'.

In 1885 - hij was toen zeventig - trad hij in het woelig strijdperk van de nationale politiek als minister van binnenlandse zaken en openbaar onderwijs, wellicht het zwaarste departement dat de koning aan de bekwame en krachtdadige Victor Jacobs had ontzegd. Sedert 1863 hadden de kiesgerechtigden van het arrondissement Hasselt hem naar de Kamer gezonden. Daar behartigde hij de belangen van zijn land en niet minder die van zijn streek met eenzelfde toewijding. Later werd hij gemachtigd de titel van minister van State te voeren en op 9 november 1885 werd hij als hoogleraar tot het emeritaat toegelaten. Op politiek vlak deelde hij de katholiek-liberale strekking van Coomans, Mgr. De Haerne, De Smet, Adolf Dechamps, Vilain XIII, de Potter, Van de Weyer en Ducpétiaux. Aldus diende hij de leuze ‘Godsdienst, vaderland en vrijheid!' De kenmerken van zijn parlementair beleid kunnen als volgt worden omschreven: een onafhankelijke houding tegenover zijn politieke vrienden, een onwrikbare gehechtheid aan de grondwet van 1831, een absolute overtuigdheid van de waarden die besloten liggen in onze parlementaire democratie, en een eerlijke en spontane vaderlandsliefde. Na zijn dood sprak de joodse geleerde M. Franck, lid van het Institut de France, volgende typering over hem uit: ‘Thonissen was niet alleen een christen, maar een overtuigd katholiek. Zijn geloofsprincipes verwekten bij hem een afkeer voor elke vorm van onverdraagzaamheid ten opzichte van een evenmens'. Thonissen stak zijn godsdienstige en politieke overtuiging niet onder de korenmaat. Om daarvoor een bewijs te vinden is het voldoende een van zijn verklaringen in het parlement te lezen: ‘Ik ben katholiek tot in de vezels van mijn hart. Moest ik morgen mijn laatste druppel bloed verliezen om mijn geloof te belijden, zou ik geen ogenblik aarzelen'.

Zijn ministerieel mandaat woog hem weldra zwaar op de schouders en putte zijn laatste krachten uit: op 13 februari 1890 trof hem een ernstige longaandoening. Enkele kranten spraken zelfs van een fatale afloop. Toch kon hij op 14 oktober van datzelfde jaar zijn parlementair jubelfeest te Hasselt vieren. Het was een heuglijke dag in de overigens rustige Demerstad. Heel de bevolking was te been en de gemeenten uit het arrondissement stuurden grote delegaties om deel te nemen aan de optocht doorheen de bevlagde straten. Twee ministers, de rector van de Leuvense universiteit, een talrijke schare senatoren en volksvertegenwoordigers, de provincieraadsleden en de geestelijkheid stapten in de feeststoet op. Pastoor-deken Rachels, met de parochiepriesters, onthaalde hem in de Sint-Quintinuskerk. Hier werd een passende toespraak gehouden, waaraan volgende zinsneden worden ontleend: ‘Weledele Heer Minister, er zijn levensomstandigheden die de ziel van een christen onweerstaanbaar dwingen tot onttrekking aan de aardse beslommeringen en tot toenadering tot zijn schepper. Getrouw aan dat verheven gevoelen wilt gij dit dank- en jubelfeest aanvangen door aan God, de schenker van alle goed, de verdiensten op te dragen van een lange en luistervolle loopbaan, geheel gewijd aan arbeid en deugd... Gedurende de vijf en twintig jaar, tijdens dewelke gij U toewijdde aan het welzijn van ons volk von de Kerk steeds in U een verknochte zoon, de Staat een getrouwe dienaar en de provincie Limburg een zorgzame en welwillende beschermer van haar belangen'. Tijdens een tafelrede schetste ridder de Corswarem met gloedvolle welsprekendheid de lange en welgevulde loopbaan van de jubilaris; Albrecht van Geel zong een gelegenheidslied op de wijze van het Hasselts Meiliedje. De voorlezing van een brief van de koning met heil- en gelukwensen verwekte een onvergetelijke ovatie. Hasselt en Limburg hadden op waardige wijze hun beroemde en verdienstelijke zoon gehuldigd.

Gedurende de zittijd 1888-1889 kon Thonissen niet meer deelnemen aan de besprekingen in het parlement. Zijn heldere geest was zozeer verzwakt dat hij geen samenhangend betoog meer kon houden. In deze toestand leefde hij nog twee jaar; op 17 augustus 1891 veroorzaakte een beroerte zijn dood. Op zijn uitdrukkelijke wens werd hij in zijn geboortestad begraven, waar hij thans rust te midden van zijn medeburgers, die hij gedurende zijn lange levensbaan steeds ten dienste stond (15).

Toen de stad in 1904 haar beroemdste kinderen herdacht door hun naam aan een straat of een laan te geven, werd de Slachthuislaan tot Thonissenlaan omgedoopt.

De familie Thonissen had haar wapen: drie zilveren schelpjes op een zwart veld. De minister droeg het vanaf 1884.


(12) De datum 10 januari 1816 komt overeen met de datum van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand. De doodsbrief, gedrukt bij Karel Peeters te Leuven, vermeldt 21 januari als dag van geboorte; diezelfde datum wordt overgenomen door Alb. Nyssens in zijn levensbeschrijving van Thonissen. In de Belgische Illustratie van 1873-1874 vinden we dat Thonissen op 21 januari 1817 geboren is. Zijn grafsteen op het Hasselts kerkhof vermeldt 10 juni 1816 als geboortedag. De geboorteakte en de huwelijksakte spellen de familienaam als Tonissen en niet als Thonissen, en verder Ponnet en niet Ponet, zoals thans gebruikelijk is. Het borstbeeld van J. Thonissen werd door Jules Courroit geboetseerd (nvdr: collectie Het Stadsmus).
(13) Karel-August Fraikin werd in 1819 te Herentals geboren.
(14) Guilliam Stellingwerff was de afgevaardigde van de liberale meerderheid van de raad; dit gebaar strekt zowel de feesteling als de burgemeester tot eer. Namens het stadsbestuur overhandigde de burgervader aan Thonissen een gouden gedenkpenning, waarvan een bronzen exemplaar in het stadsmuseum wordt bewaard.
(15) Zijn vrouw Ida-Louisa Nagels stierf te Leuven op 8 oktober 1904, 85 jaar oud.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...