Watermolens - uit: Kunst in de Kijker - 49 (1995)

Description

HASSELTSE WATERMOLENS, 1893/94
Paul Marie BAMPS (1862-1932)

afb. 1

1. Stadsmolen vanuit het ZO, gesigneerd en gedateerd (18)94, aquarel op licht karton, 54 x 36 cm, inv.nr. 1979.0075
2. Stadsmolen vanuit het NW, gesigneerd en gedateerd (18)94, aquarel op licht karton, 54 x 36 cm, inv.nr. 1979.0076
3. Binnengezicht van de stadsmolen, gezigneerd en gedateerd (18)93, aquarel op licht karton, 36 x 54 cm, inv.nr. 1979.0077
4. Broekermolen vanuit het N, gesigneerd en gedateerd (18)94, aquarel op licht karton, 36 x (' cm, inv.nr. 1979.0074

Deze vier aquarellen van Paul Marie Bamps zijn enkele van de vele stadsgezichten die hij op het einde van de vorige eeuw schilderde in zijn bekende en door veel Hasselaren gekoesterde lieflijk-romantische, licht-impressionistische stijl. De drie buitenge­zichten zijn duidelijk in de herfst geschilderd, meer bepaald van het jaar 1894 zoals hij zelf aangeeft. De Broekermolen (afb. 2) toont op de rechteroever van de Nieuwe Demer een lemen vakwerk­ge­bouw met een strodak, een strodak boven het rad en op de lin­ker­oever een stevig stenen gebouw met stijlelementen van de Maas­landse Renais­sance. 

 
Bij het gezicht op de stadsmolen aan de Molenpoort vanuit het noordwesten (afb. 3) zien we een vrij indrukwekkend molengebouw op de linkeroever. Een man en een vrouw harken dode bladeren bijeen. Rechts zien we een stukje van de tuinmuur van de paters minder­broeders en links vooraan een deel van een "sauwe" die uitmondt in de Nieuwe Demer. Op het gezicht vanuit het zuidoosten (afb. 1 - omslag) kijken we tegen de andere gevel van het molengebouw aan en zien we twee bruggetjes over het water.
 
afb. 3

 
                                                    afb. 4

 

Het binnengezicht van deze stadsmolen (afb. 4) is volgens zijn datering zowat een jaar eerder geschilderd en toont de molenaar die een zak onderaan de molenstenen laat vollopen met bloem. Op een reeds gevulde zak staat "Stad Hasselt" en de grijs-witte tint van het geheel een goed beeld van een bestoft moleninterieur.

[...]                                                                
DE WATERMOLENS VAN HASSELT
 
De beide watermolens die Bamps schilderde hebben een lange ge­schie­denis, waarvan het begin rechtstreeks samenhangt met het begin van Hasselt als stad. Om van een stad te kunnen spreken was er een versterking nodig in de vorm van een omwalling met een gracht vol water. De bevolking intra muros had voldoende drink­water nodig en moest om te kunnen eten ook graan kunnen malen. Kortom, een stad had relatief veel water nodig. De Helbeek, waarlangs de eerste bewoning van Hasselt ontstaan is, liep wel door de stad, maar had veel te weinig debiet. Vandaar dat van tegen Diepenbeek tot in Hasselt een soort kanaal werd gegraven dat het water van de Demer langs de noordkant de stad binnen­bracht. Aan de Paardsdemerstraat (ongeveer onder het huidige Belgacom-gebouw) vloeit die "nieuwe Demer" samen met de Helbeek, die meteen werd uitgediept. Dat was nodig om het veel grotere debiet aan te kunnen. Langs de binnenkant van de Herkenrodesin­gel, waar vroeger de weiden van Crutsen waren, komen de "oude" en de "nieuwe" Demer weer samen.
 
Er bestaat geen zekerheid over het precieze tijdstip waarop deze werken werden uitgevoerd. Mantelius geeft als datum "100 jaar na de stichting van de abdij van Herkenrode". Dat zou dus in 1282 zijn. Zoals later onderzoek heeft uitgewezen klopt deze datum niet. J. Lyna en M. Bussels situeren de graafwerken in het begin van de 13de eeuw. In het bekende vrijheidscharter dat graaf Arnold IV van Loon in 1232 aan Hasselt verleende verwijst hij naar de vrijheidsrechten die zijn voorgangers - in het meervoud (... meis predecessoribus...) - al schonken. Arnold IV werd graaf van Loon in 1227. Enkele voorgangers van hem terugrekenend komen we uit in het begin van de 13de eeuw en zelfs op het einde van de 12de eeuw toen Hasselt zijn eerste stadsrechten kreeg. Het is vrijwel ondenkbaar dat de burgers van Hasselt hun pas bekomen vrijheden niet zouden verdedigd hebben door de aanleg van een wal met een gracht. Een versterkte stad was trouwens ook in het - militaire en fiscale - voordeel van de graaf, zodat hij de werken zeker niet zal gedwarsboomd hebben. In 1203 is er in elk geval sprake van een munitio of versterking met kleine en grote grachten.
 
De bouw van een watermolen intra muros zal, gezien zijn belang voor de voedselvoorziening, niet lang daarna gebeurd zijn, evenals de bouw van een molen net buiten de wallen. We kunnen het begin van de geschiedenis van deze molens dus laten samenvallen met het begin van de 13de eeuw.
 
Beide molens waren banmolens, d.w.z. dat de inwoners van de stad verplicht waren hun graan daar te laten malen en daarvoor een "maelghelt" van 5 tot 8% van de waarde van het gemalen graan te betalen. In principe inde de heer deze belasting, dus de heersen­de graaf van Loon en later - na 1366 - de prins-bisschop van Luik. In de praktijk werden deze molenrechten echter verpacht aan privé-personen of aan de stad. Vooral vanaf de 15de eeuw duiken geregeld vermeldingen over de molens op in de archieven. In 1445 is er sprake van een Broeckmolen, in 1471 van "een huyse gelegen int Heeren Henrix dorp inder straete ter Moelen wert" en in 1491 lezen we "buyten de Kempens poert enen stuck ghelegen bij die alden Molenstraat achter de Broeckmolen".
 
Op 23 oktober 1539 zond het stadsbestuur een klacht naar de prins-bisschop over het slecht beheer van de molen intra muros en over de lange wachttijden. Volgens de klagers moesten de burgers hun kinderen of meiden tot 5 keer naar de molen sturen voor hun graan gemalen werd, "... oick wirde hou koeren somwylen soe groeff gemaelen als oft gecapt weer". Zeven weken later huurde de stad de molen zelf voor 14 gulden, 80 vat rogge, 80 vat haver en een hoeveelheid was. Door de bloei van de lakennijver­heid werd de Broekmolen in 1545 ingericht als volmolen, net als de Willekensmolen en de Kapermolen op de oude Demer.
 
In 1692 bedroeg het maalgeld 8 stuiver per vat tarwe en 2 stuiver per vat rogge. In dat jaar werden de molenrechten verpacht aan Godefridus Vanderlocht voor 200 gulden. In de stadsregisters wordt deze Vanderlocht betiteld als "l'oeil du moulin".
 
Het graven van de Nieuwe Demer was intussen geen permanente garantie gebleken voor een constante aanvoer van voldoende water. Niet alleen gebruikten veel inwoners de waterloop als riool voor het uitgieten van hun "excretiën", maar ook als vuilhoop. Uit klachten blijkt dat door opeenhopingen van afval het debiet soms zo sterk kon dalen dat het molenrad stilviel. Dat gebeurde ook door natuurlijke oorzaken in droge zomers of barre winters als het water bevroor.
 
De overheden hechtten bijna tot het einde van de 19de eeuw veel belang aan een goede werking van de molens. Niet alleen waren ze een bron van inkomsten, maar ook levensnoodzakelijk voor de productie van het basisvoedsel brood. Voedselrelletjes bij gebrek aan graan of meel kon men missen als de pest. Het gebeuren rond de molens werd dus nauwlettend in de gaten gehouden. Talrijke ordonnantiën wijzen er op dat er zakken meel werden gestolen, dat er "abuesen" waren bij het wegen en dat er, zoals gezegd, soms lange wachttijden waren. Die wachttijd kon met een fooi wat ingekort worden en ondanks een streng verbod op steekpenningen, groeide het uit tot een normaal gebruik.
 
In 1742 werd de Broekermolen voorzien van een stevig stenen gebouw dat op de aquarel van Bamps is afgebeeld. Dit jaartal stond in de muurankers. De bouwdatum van de molen intra muros, zoals Bamps hem schilderde, is niet bekend.
 
In 1749 verkocht prins-bisschop Lodewijk van Beieren de stads­molens aan de welstellende oud-burgemeester Jaak Minten. Deze Minten - die in 1741 al een windmolen had laten bouwen aan de Maastrichterpoort - liet de gebouwen herstellen en maakte grote kosten voor de vernieuwing van o.m. de Meukes om opnieuw voldoen­de debiet te hebben voor zijn molenraderen.
 
Jaak Minten had drie dochters waarvan er één met Guiliam Stel­ling­werff getrouwd was en één met Nicolaas Wagemans. Door erfenis bleven de beide molens tot 1854 in het bezit van de familie Wagemans, samen met o.m. de Kuringermolen en de windmolen aan de Maastrichterpoort. Daarna werden ze verkocht aan jeneverstoker Frans Teuwens die ze in 1893 op zijn beurt verkocht aan de stad.
 
Het verval van de molens was intussen bijna volledig. We zien trouwens op de aquarellen van Bamps dat de gebouwen er niet al te florissant bijstaan. De Fransen hadden al in 1796 alle feodale rechten afgeschaft, waardoor iedereen vrij was in de keuze van een molen, de moderne industriële eisen van de 19de eeuw gaven de genadeslag.
 
Na 1830 drong het stadsbestuur bij de hogere overheden aan op een waterwegverbinding met de rest van het land. Dat was nodig voor de bloei van industrie en handel en het zou ook voor voldoende water zorgen voor de irrigatie van de heide ten noorden van de stad. Het werd een aftakking van het kanaal Bocholt-Herentals die in Hasselt eindigde in een grote kanaalkom. In 1858 werd het kanaal opengesteld, maar omdat het ook gevoed werd met water uit de Demer, zakte het waterpeil in de stad zodanig dat de molens zonder water vielen. De eigenaars dienden klacht in en de stad werd na een lange procedure veroordeeld tot forse schadevergoe­dingen. Nadat de stad in 1893 eigenaar was geworden werd de Broekermolen onmiddellijk doorverkocht aan de Manufacture de Produits Chimiques Hertz & Wolff voor de som van 5.620 fr. Zowat een jaar later werd hij gesloopt om plaats te maken voor de Gelatinefabriek. De "binnenmolen" heeft er nog gestaan tot in 1895 toen de stad zelf hem liet afbreken omdat de ruïne niet verkocht geraakte.
 
Het binnengezicht van deze molen dat Bamps in 1893 schilderde is dus voor stuk fantasie omdat de molen bij gebrek aan water al jaren niet meer draaide. Waarschijnlijk heeft hij zijn fantasie ook gebruikt om de andere gezichten wat op te fleuren.
 
Eén restant van de molen kan u vandaag, 100 jaar later, nog bekijken. Weinig Hasselaren weten dat de ronde dingen in de stoep aan de rechterkant van de begijnhofpoort twee molenstenen zijn van de oude watermolen aan de Molenpoort.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...